
Delfts bier, geen bier zonder water
AlgemeenBij grondstoffen voor het brouwen van bier denkt men in eerste instantie aan graan. Terecht, want graan behoort tot de basisgrondstoffen in het brouwproces. Maar water is een even essentieel bestanddeel van bier. Want zonder water geen bier.
Door Jeroen Stolk
Dat water werd door de brouwerijen met een hefboomconstructie uit de gracht gehaald. Vervolgens liep het via een goot (doorgaans boven de straat) naar de brouwerij. Omdat het van groot belang was dat dit water zo schoon mogelijk was, had het stadsbestuur een aantal maatregelen genomen. De ene maatregel was daarbij doeltreffender dan de andere. Zo bleek het plaatsen van krebben (of kribben) langs de grachten minder effectief dan gehoopt. Deze krebben waren bakken waarin afval verzameld werd, zodat dit niet in de gracht zou belanden. Ze werden bijgehouden en geleegd door een krebbenmeester. Tijdens de pestepidemie van 1558 had het Delftse stadsbestuur de Alkmaarse arts Pieter van Foreest naar Delft gehaald. De arts, die in Leuven was afgestudeerd, nam direct een aantal maatregelen waarvan er één betrekking had op het grachtenwater. Doordat het water stilstond verspreidde het een onaangename geur. Van Foreest adviseerde daarom met enige regelmaat de sluizen open te zetten teneinde de doorstroming te bevorderen. Deze waterverversing had uiteraard tevens een positief effect op het water waaruit het bier gebrouwen werd. Ten behoeve van de brouwerijen had Delft een aantal molens. De meeste voor het malen van graan, maar ook drie voor de verversing van het grachtenwater. De lakenindustrie (verwerking van wol) was zeer vervuilend. Om deze nijverheid gescheiden te houden van de biernering was ze geconcentreerd aan de oostelijke grachten (Voldersgracht, Verwersdijk…). Daarom verwacht je aan grachten zoals de Vlamingstraat geen brouwerijen. Toch is dat precies waar Gerrit Vrancken van Montfoort zijn brouwerij ‘de Twee Vissen’ (met de Kroon) had gevestigd. Het bedrijf bevond zich aan de noordzijde ter hoogte van het huidige huisnummer 18 en had een moutmaker in dienst. De brouwerij komt als zodanig tussen 1596 en 1599 een aantal malen in de Delftse archieven voor. In 1604 verkoopt hij het pand aan zilversmid Jan Jansz. van Aken. Op dat moment was het blijkbaar al geen brouwerij meer en vinden we de Twee Vissen aan de Oude Delft (westzijde). Van Montfoort gaat vervolgens in de Bagijnsteeg wonen en neemt zijn de huisnaam mee.







