
Delfts bier, van bakker tot brouwer
AlgemeenVorige week maakten we kennis met de schijnbaar onbekende Delftse bierbrouwerij van der Maerckt. Omdat de namen van brouwerijen uit die periode (medio tot eind zeventiende eeuw) vrijwel allemaal bekend zijn, was onderzoek hier op z’n plaats.
Door Jeroen Stolk
Het bleek al gauw om Leendert Commersz. van der Marck te gaan. Leendert werd tussen 1601 en 1604 geboren en groeide op in de Vlamingstraat. Al als jonge kerel werkte van der Marck met granen en gist want hij verdiende zowel letterlijk als figuurlijk zijn brood als bakker. Hij zal eigen baas geweest zijn want hij vroeg een vergunning aan voor een zogenaamd pothuis (een kleine aanbouw). Leendert huwde in 1528 met Bastiaentge Cornelisdr die op het Oosteinde woonde. Bij zijn huwelijk was zijn beroep moutmaker en dus al actief in de biernering. Op vijf juni 1646 werd Leendert de trotse eigenaar van brouwerij de Swaenshals. De brouwerij die hij gekocht had van Johan Croeser was gelegen aan de Koornmarkt en liep door tot achter de Brabantse Turfmarkt. Via de Zwaanshalspoort kwam men uit op de Brabantse Turfmarkt tussen de huidige huisnummers 41 en 43. Zoals we vorige week konden lezen (zie ons online archief) bleek het bier van Van der Marck kwalitatief goed genoeg om een reis van meerdere maanden te doorstaan naar ‘de Cripes-eilanden in Westindien’. Dit in tegenstelling tot het Delfts-Engels bier van een andere brouwerij. In 1649 vroeg Leendert vergunning aan voor de bouw van een bostelhuisje bij zijn brouwerij. Bostel is het vaste residu dat bij het brouwproces overblijft. Het bevat zeer veel eiwitten en werd als veevoer aangewend. Over Leendert Commersz. van der Marck als bierbrouwer zijn meer gegevens bekend dan in dit korte bestek besproken kan worden. Hij werd op 17 juli 1658 begraven in de Nieuwe Kerk waarna Bastiaentge weer aan het Oosteinde ging wonen. Zij werd zeven jaar later in dezelfde kerk begraven.







