
Het Delft van Toen: Liesbeth Groenhuijsen
AlgemeenDELFT - Vanuit haar appartement in Ypenburg kijkt Liesbeth Groenhuijsen uit over de skyline van Delft, een stad die zich, zelfs van een afstand, verraadt door haar torens. Op heldere dagen tekenen de spitsen van de Oude en Nieuwe Kerk zich scherp af tegen de lucht. Voor Liesbeth altijd een prachtig aanzicht.
Door: Doris Steijger
Dat ze niet stilzit, is meteen duidelijk. Ze is pedagoog, schrijver, oma en nog altijd actief in haar eigen praktijk ‘Ik ben formeel met pensioen, maar ik kan gewoon niet stoppen met werken,’ zegt ze. ‘Het is zo’n boeiend vak. Wat mensen allemaal met elkaar aanrichten, goed en slecht, dat blijft me fascineren.’ Uit dat werk groeide ook haar nieuwe roman De Afhandige, een boek over veerkracht, menselijkheid en het omgaan met imperfectie.
Veerkracht
Het thema veerkracht loopt als een rode draad door haar leven en werk. In 2010 schreef Liesbeth al het pedagogische boek Veerkracht bij kinderen. ‘Iedereen krijgt te maken met tegenslag,’ vertelt ze. ‘En we zijn allemaal niet perfect. In plaats van te zeggen: ‘iedereen moet mij maar accepteren zoals ik ben’, kun je kinderen beter leren omgaan met wat er niet lukt. Dat maakt je sterker.’ In haar roman werkt ze dat thema op een andere manier uit. ‘Ik wilde schrijven over een vrouw die iets mist,’ zegt ze. Dus mijn hoofdpersoon, Ava, is vanaf haar geboorte haar rechterhand kwijt. Een prachtig meisje, maar met dat ene gemis.’ Dat gebrek, vertelt Liesbeth, is niet bedoeld als tragedie, maar als symbool. ‘Het boek begint met het woord ‘nee’ en eindigt met ‘ja’. Ava legt een weg af van verzet naar aanvaarding. Ik wilde een verhaal schrijven dat niet per se optimistisch is, maar wel hoopvol.’
Het gif van perfectie
In het oude Delft, met scheve torens en verweerde gevels, herinnert de stad ons eraan dat schoonheid niet in perfectie schuilt, maar in het onvolmaakte, precies wat Liesbeth in haar boek wil laten zien. ‘Wat mij bezighoudt,’ zegt ze, ‘is dat we in deze tijd allemaal perfect willen zijn. Op social media zie je alleen maar mooie lichamen en gelukkige gezichten. Alsof geluk een soort plicht is geworden. En wie niet gelukkig is, heeft het blijkbaar aan zichzelf te wijten.’ Ze zucht even. ‘Dat is zo giftig, vooral voor kinderen. Wij volwassenen zeggen wel dat ze goed zijn zoals ze zijn, maar de wereld om hen heen zegt iets anders. Dus moeten we kinderen leren omgaan met dat verschil: dat de wereld niet perfect is, en dat zij dat ook niet hoeven te zijn.’ In haar boek doet het hoofdpersoon precies dat: ze leert omgaan met haar onvolkomenheid. ‘Zo zegt Ava: ‘Ik kon er niet mee omgaan, omdat mijn ouders dat ook niet konden.’ Dat is precies wat ik vaak zie in mijn praktijk. Ouders willen pijn weghouden bij hun kinderen, maar daardoor leren ze juist niet hoe je met pijn leeft.’
De binnenwereld
Wie met Liesbeth praat, merkt dat haar pedagogische blik nooit ver weg is. ‘Ik vind het belangrijk dat we weer leren kijken naar de binnenwereld van kinderen,’ zegt ze. ‘Tegenwoordig willen we alles snel oplossen, een therapie, een diagnose, hup verder. Maar ik geloof in echt luisteren. Pas als je begrijpt wat er in een kind omgaat, kun je helpen.’ In haar roman heeft ze daarom ieder hoofdstuk laten beginnen met een cursieve passage uit het perspectief van de kleine Ava. ‘Ik wilde dat lezers haar ook als kind konden horen denken. Soms kinderlijk, soms poëtisch.’
Een leven vol taal
Dat Liesbeth van taal houdt, is niet te missen. ‘Ik heb altijd boekjes in mijn tas,’ zegt ze. ‘Als ik een mooi woord hoor, schrijf ik het op. Misschien kan ik het later gebruiken.’ Schrijven is voor haar meer dan een bezigheid. ‘Het geeft me een tweede perspectief op de wereld,’ zegt ze. ‘Soms denk ik: wat zou Ava hiervan vinden? En dan kijk ik ineens anders naar dingen. Dat vind ik zo’n rijkdom.’ Ze glimlacht. ‘Zonder gebreken gebeurde er niks. Geen boeken, geen films, geen verhalen. Perfectie zou onmenselijk zijn.’ Liesbeth vind haar geluk in de stad die voor haar een thuis is geworden. ‘De stad leeft altijd, door de studenten, door de sfeer. En als ik dan de torens zie, weet ik weer waarom ik hier ben gaan wonen.’








