
Het Delft van Toen: Gé Kleijweg
AlgemeenDELFT - Zestig jaar geleden begon het Stads-Koffyhuis met een stamtafel, een paar tafeltjes en een espressoapparaat waar de Delftenaar nog niets van moest hebben. Gé Kleijweg groeide op in de zaken nam deze later over. Tegenwoordig houdt hij zich minder bezig met koffie en meer met bomen, biodiversiteit en de toekomst van Delft.
Door: Doris Steijger
‘Mijn Delft is hier begonnen’
Gé werd geboren aan de Oude Delft 133, nu het Stads-Koffyhuis. In 1966 bouwde zijn vader de ruimte beneden om tot koffiehuis, het gezin woonde erboven. De term koffiehuis was toen nog maar net in opkomst. De eerste versie van het Stads-Koffyhuis was klein. ‘Toen was het een stamtafel. Met zes stoelen. En een paar tafeltjes daar omheen.’ Vader, moeder, zus en Gé werkten mee. Alleen op vrijdag en zaterdag was er een scholier om te helpen.
De eerste kop koffie
Het Stads-Koffyhuis had een van de eerste espressomachines, maar daar moesten Delftenaren weinig van hebben. ‘Mensen wilden dat helemaal niet, ze vonden de koffie veel te sterk en wilden gewone koffie. En dan een tweede koffie gratis.’ Koffie kwam dus gewoon uit een kan en iets als Cappuccino was al helemaal een onbekend verschijnsel. ‘En nu als je met een ketel koffie aankomt, dan beginnen ze je heel hard uit te lachen.’ Gé woont zijn hele leven in Delft. ‘Ik mag me dan ook trots een Delvenaar noemen.’ Het ondernemerschap kreeg hij van huis uit mee. Zijn vader was actief in besturen en winkeliersverenigingen. Toen zijn vader ziek werd, kwam Gé op zijn negentiende terug naar huis. Hij bleef en belandde in de horeca.
De zaak groeit
In 1979 kwam Gé bij zijn vader in de zaak werken. Vier jaar later werd hij mede eigenaar en tien jaar later nam hij de zaak volledig over. Ondertussen groeide het koffiehuis stukje voor stukje. Niet met één grote verbouwing, maar door steeds een beetje meer van het woonhuis bij de zaak te betrekken. ‘Het is klein begonnen. Maar toen ik het verkocht, toen hadden we 43 mensen op de loonlijst staan.’ In Gé’s begintijd werd horeca nog als een bedreiging voor de binnenstad gezien. ‘De winkelstraat moest vooral bestaan uit schoenenwinkels, kledingwinkels, een slager en een bakker.’ Inmiddels is dat veranderd. ‘Nu zie je dat de stad eigenlijk bestaat bij de gratie van goede horeca.’
Nog altijd zijn favoriete stad
Sinds 2011 heeft Gé het bedrijf overgedragen aan zijn personeel en is hij zich met andere zaken gaan bezighouden. Zijn blik werd steeds breder: van de horeca naar de stad en uiteindelijk naar het gebied rondom Delft. Een van zijn belangrijke projecten was de gebiedsvisie Buytenhout. Daarin kreeg biodiversiteit een prominente plek. ‘Zes jaar geleden hebben we die visie ontwikkeld en nu is het actueler dan ooit. Een compacte stad met een waanzinnig goed groen uitloopgebied is misschien veel waardevoller dan dat we overal bouwen.’ Opvallend genoeg is Gé, na jaren van steeds grotere ambities, juist weer teruggekeerd naar het kleine. Zijn betekenis hoeft niet meer in grote functies of projecten te zitten. ‘Het zit in kleine dingen.’
Een erfenis van groen
Dat kleine blijkt ondertussen behoorlijk groot te kunnen zijn. In de Delftse Hout heeft Gé twee hectare land. Daar plant hij bomen, legt hij natuurvriendelijke oevers aan en hangen nestkasten. Paarden lopen er rond en houden het gebied open. ‘Ik probeer daar heel veel natuur terug te brengen.’ Een kastanjeboom die ooit in een mayonaise-emmertje naar het terrein werd gebracht, is inmiddels acht meter hoog. ‘Je hoopt de wereld een klein beetje mooier achter te laten dan dat je hem kreeg.’
Als kind stond Gé nog bij de spoorbomen aan de Binnenwatersloot. Een agent regelde het verkeer met een klapbord. Eerst kwam het spoorviaduct, later verdween het spoor onder de grond. Ook de komende veranderingen ziet Gé met vertrouwen tegemoet. ‘Ik heb eigenlijk wel heel veel vertrouwen in dat de stad zich verder zal doorontwikkelen en zich uiteindelijk heel goed realiseert wat de kwaliteiten van Delft zijn.’








