Als Ofer Cohen vindt dat hij gelijk heeft, dan buigt hij niet. Voor niemand

Algemeen

DELFT – Ofer Cohen is de naam. Dat kan dus niet missen. Hij is geboren en getogen in Israel. Maar intussen is hij toch vooral Nederlander en Delftenaar. Eén, twee keer per jaar gaat hij terug, dat wel. Toch: “Ik verlang ernaar om daarheen te gaan. Als ik daar ben, ben ik teleurgesteld. En als ik hier terug ben, ben ik blij”.

Ofer Cohen (51) is Joods. Dat lijkt vanzelfsprekender dan het is. “Als je moeder niet Joods is, ben jij ook niet Joods. Mijn ouders waren allebei Joods. Ze hebben elkaar in Israel leren kennen. In de bioscoop. Mijn vader kwam uit Griekenland, mijn moeder uit Polen. Dat ze naar Israel kwamen, daar speelde het Zionisme een grote rol in. En de Holocaust heeft er ook een stempel op gelegd. Israel was voor hun als save heaven. Mijn moeder heeft in Auschwitz gezeten. Dat heeft een enorm effect gehad op haar visie op het leven en op de manier van leven. Mijn vader is drie jaar geleden overleden, mijn moeder veertien maanden geleden”. 

- Op wie lijk jij?
“Uiterlijk voor een deel op m’n vader, maar voor het grootste deel op m’n moeder. Innerlijk lijk ik toch meer op m’n moeder. Dat uit zich in openheid. Mijn moeder was open, temperamentvol, soms explosief. Ik was ook ontzettend ontplofbaar. Het kan nóg wel eens gebeuren, maar nu geniet ik ervan als het gebeurt”. Want zo gaat dat in het leven: “Je loopt door, je ontwikkelt jezelf. Al geloof ik wèl dat we in de kern van ons bestaan blijven wie we zijn, ondanks de invloeden van buitenaf. In mijn jeugd waren de grenzen breder. Nu moeten we voor onze vrijheid vechten, bij wijze van spreken. Ik was in mijn jeugd minder beperkt. Je was op een soort ontdekkingsreis. Je was bezig je eigen identiteit te ontwikkelen. Wat ik van mijn moeder heb meegekregen, is het kijken zonder te oordelen. Dat geeft me enorm veel rust. Ik voel me tot niets verplicht. Dan kun je totaal vrij zijn”. 

Hij spreekt, in goed Nederlands maar met een onmiskenbaar koddig accent, van ‘een heerlijke jeugd in Israel’. “Een gekke jeugd”, maakt hij er zelfs van. “Het was het begin van de jaren zestig. We hadden niet zo veel, maar het was genoeg. En mijn ouders gaven mij de vrijheid te doen wat ik wilde. Maar wèl altijd met deze tekst van mijn moeder erbij: Denk goed na. Nee, ik ben nooit een bepaalde richting opgeduwd. Als je dat goed vindt, doe het dan maar, zeiden ze. In de beginjaren zeventig, alcohol bestond niet, maar we waren wèl aan het blowen. Ja, ik heb een goeie jeugd gehad”. 

Praten met Ofer Cohen is niet maar wat babbelen over koetjes en kalfjes. Het is voortdurend opletten op wát hij zegt. En dat dus zeker niet alleen al vanwege zijn accent. “Er zit soms geen lijn in”, laat hij zich met de nodige zelfkennis ontvallen. Dus zegt hij, als hij het over zijn niet te versmaden jeugd en gewaardeerde opvoeding heeft, pardoes: “Mijn bestaan is niet afhankelijk van mensen, want dan zou ik bezig zijn met emotionele koehandel. Dat zou maken dat je een gecalculeerd persoon wordt”. Het mag, zegt hij, niet op een supermarkt gaan lijken.“Je moet niet verwachten dat iemand jou wat geeft omdat jij hem hebt gegeven. Je geeft omdat je wilt geven. Onvoorwaardelijk”. 

Cohen leerde zich, in Israel, naar het Gymnasiumdiploma. Moest vervolgens in militaire dienst. En studeerde daarna af aan de Hotel- en Managementschool. Die drie jaar in het leger, ‘dat deed ik niet voor mijn land”, zegt hij. “Dat zou een te groot woord zijn. Mijn vader was militair, mijn broer was militair. Je kunt niet alleen maar nemen, je moet ook wat teruggeven. Ik paste er helemaal niet in, in het leger. Tóch heb ik er een mooie tijd gehad. Ik kon me distantiëren van de inhoud van militaire dienst”. Aan de andere kant: “Ik was wèl lastig. Ik schopte altijd”. 

Hij dwaalt heel even af met z’n gedachten. “Ik kreeg kortgeleden foto’s van mijn nichtje in Israel. Ze is achttien, ze zit al twee jaar in militaire dienst”. Cohen maakte ‘kleine en grote oorlogen’ mee. Hij is niet van gisteren: “Ze proberen in het leger je persoonlijkheid te veranderen. Een soldaat van je te maken. Maar ik bleef wie ik was. Daardoor was ik lastig, daarom heb ik geschopt”. 

- Als je zo lastig was en ook nog wel bent, dan heb je zeker niet al te veel vrienden?
“Ik hoef geen vrienden”. Dat is duidelijk. Trouwens, vraagt hij zich af: “Wat is een vriend? Dan gaat het wat mij betreft om onvoorwaardelijke liefde. Dat heeft dan niks te maken met afstand, met situaties. Ik heb er een hekel aan als iemand zegt: Als ik ‘m nodig heb, is ie er. Nee, hij moet er zijn zonder dat je ‘m belt. Ik heb niks nodig. Van niemand. Dat wil ik niet. Ik heb één vriend. Die ken ik al vanaf m’n vijfde. Daarbij is sprake van onvoorwaardelijke acceptatie van elkaar. Ik hoef ‘m niet te bellen met: Ik voel me kut. Nee, vriendschap is dat je alles voor elkaar opzij schuift, zonder voorwaarden”.

‘IK MOET EEN VLAM HEBBEN’
Dat Cohen aanvankelijk zijn heil leek te gaan zoeken in de horeca en dat hij ‘dus’ de opleiding aan de Hotel- en Managementschool ging volgen, eigenlijk was dat een vergissing, weet hij nu. “Ik was verliefd op de buitenkant van de horeca”. Vertelt dat hij al als elf-, twaalfjarig jochie actief was in de Arbeiderspartij. “Ik werd toen beschouwd als één van de talenten in mijn geboortestad Kfar-Saba”. 

Maar wat hij ook nog goed weet: “Toen ik klein was, wilde ik al uit Israel weg. Dat begon eigenlijk toen ik bij ons thuis ‘Der Spiegel’ zag, dat Duitse weekbad. Ik was een jaar of zes, zeven. Toen al dacht ik: Hé, er is nog een andere wereld buiten Israel”. Daar kwam nog eens bij: “Ik was het niet eens met de oorlog. Na de oorlog kwam ik in een grote botsing met één van de commandanten. Toen was het voor mij duidelijk: ik was niet bereid mijn geest en lichaam op te offeren voor politieke doeleinden”. 

Het einde van de Libanon-oorlog en de afronding van zijn studie vielen samen. Bovendien had hij toen al een relatie met zijn huidige vrouw, de Delftse kunstenares Gonny Stuut. Hij wilde weg en dus was Nederland een logische bestemming. “Ik was toen een jaar of 25. En ik wilde hier werken. Maar dat was niet makkelijk. Ik sprak de taal niet, ik kende de cultuur niet, het klimaat was niet mijn klimaat. We hadden geen geld, geen telefoon, helemaal niks”. Hij solliciteerde zich een breuk. Vergeefs. “Na vier maanden was ik tien, twaalf kilo afgevallen. Ik zei: Het is hier voor mij afgelopen. Ik ga terug naar Israel. Ik ben naar het Reisbureau gegaan. Was op een woensdagmiddag. Heb ik tickets gehaald voor de vlucht, op zaterdag, naar Tel Aviv. Ik kwam die woensdag om een uur of zes thuis, lag er een brief. Of ik contact wilde opnemen met de directie van een hotel op Schiphol. En toen had ik ineens werk”. 

Hij werkte een vijftal jaren in dat hotel. Verkaste vervolgens naar de Burger King, in Rotterdam. Daar hield hij het zeven jaar uit. “Ik kwam op een dag naar kantoor. Ik keek in de spiegel, de spiegel keek naar mij en ik wist het: Het is hier afgelopen”. Want hij was weer lastig. “Als het persoonlijk belang gaat boven het belang van het bedrijf, dan geef ik commentaar. Dat botst. Dan heb ik geen plezier meer, geen innerlijke voldoening van wat ik doe. Ik moet een vlam hebben. Vuur. Ik moet me ergens voor kunnen inzetten. Is de vlam gedoofd, dan is het over. En dan ben ik absoluut niet bereid mijn innerlijke kant te verkopen voor geld”. 

Intussen was hij naar Thailand geweest. En daar ‘geraakt’ door de Thaise massage. “Ik dacht: Dát wil ik ook”. Hij voegde de daad bij de gedachte. Volgde in Thailand de massage-opleiding. Begon in Delft een praktijk. “Bij mij thuis, bij de mensen thuis, in sauna’s. Dat was een heel goeie periode. Zo wilde ik het. Ik had absolute vrijheid, ik werkte wanneer ik wilde en het één-op-één-contact dat ik met de mensen had was een verrijking voor mezelf. Het opende me de ogen, ik leerde luisteren naar anderen”.

‘IK GEEF NOOIT OP’
We schrijven inmiddels 1996. Zwembad Kerkpolder zoekt een exploitant voor het horeca-gedeelte. Cohen en nog zo’n twintig anderen solliciteren. Cohen is de gelukkige. “Ik heb daar een heel mooie tijd gehad”, zegt hij. 

- Maar je hebt daar toch vooral een hoop gelazer gehad?
“Dat is nog zacht uitgedrukt”, lacht hij. “Het was een botsing van belangen, laat ik het zo zeggen. En het was een leerzaam proces. Het was een conflict met de Gemeente. Een botsing van de belangen van de verenigingen die daar gebruik maakten van het zwembad en mijn belangen. Het is logisch dat de Gemeente de kant van de verenigingen koos. Die brachten geld in de kas, ik niet. Wat ik ervan heb geleerd, is dat er heel veel democratische middelen zijn om je belangen te beschermen. De Gemeente wilde een proces. Dat heeft ongeveer drie jaar geduurd. En de Gemeente heeft dat verloren. Natuurlijk bleef ik aan het werk. Al werd me regelmatig gevraagd: Waarom ga je niet weg? Waarom ga je niet ergens anders werken? Maar nee, ik ga dan niet weg. Ik geef nooit op. Absoluut never. Als ik vind dat ik gelijk heb, dan buig ik niet. Voor niemand. Ik kijk altijd bij mezelf naar binnen toe. Daardoor heb ik de kracht om door te zetten. Als het nodig is tot het bittere eind. Maar ik zoek wèl altijd naar het compromis, als er wrijvingen zijn of conflicten”. 

De relatie met (de mensen van) het zwembad was, zegt hij, ook na de afronding van het proces goed. “Ik heb ook heel veel waardering voor het management daar. En voor het management van het Sportbedrijf van de Gemeente. Dat meen ik serieus”. Er zijn, filosofeert hij in één moeite door, twee manieren om te leren van zulke conflictsituaties. “Of je buigt. Of je staat op. Als je weet wie je bent, dan stippel je je weg uit. Dat hoeft geen rechtstreekse weg te zijn, er kunnen ook duizenden zij- en omwegen zijn. Waar het mij om gaat is dat je innerlijke rust hebt. Bij het zwembad is dat elf jaar goed gegaan. Ik voelde me er thuis. Het was mijn derde huis. Israel was het eerste, mijn privéruimte het tweede en het zwembad het derde huis. Ik was er 70, 80 uur in de week. Ik heb zelf gekozen om daar te stoppen. Het was mijn doelstelling via het werken voor het zwembad een zekere financiële onafhankelijkheid op te bouwen. Dat is in zekere zin ook wel gelukt. Wat ik wilde, is financiële vrijheid en dan een jaar of twee, drie verre reizen maken. En daarna zouden we wel verder zien. Ik heb er ook nog over gedacht een guesthouse te beginnen, in Israel of op Aruba. Of om in Rome of Parijs te gaan wonen. Of naar Amerika te gaan. Maar ja, toen kwam mijn vrouw een mooi huis tegen, in de binnenstad van Delft. Dat was in 1998. We zijn gaan kijken en we hebben het gekocht. Dat reizen is er niet meer van gekomen, nee. Of ik dat jammer vind? Nee”. En vooruit kijken doet hij niet. Tenminste: “Ik heb nu twee cycli van 25 jaar achter de rug. Ik sta nu voor het laatste rondje. Wat dat me brengt? God knows”.

‘HIER IS HET SUBTIELER’
En nu heeft Cohen z’n handen vol aan wat de wondere wereld van de Thaise massage te bieden heeft. Hij heeft een praktijk aan huis. En een gedegen opleiding. Maar hij verdiept zich ook terdege in Shaitsu, wat dus alles met Japanse drukpuntmassage van doen heeft. Het is, kortom, allemaal even ingewikkeld als heilzaam wat hij in petto heeft voor wie daar baat bij denkt te hebben. 

Hij doet een poging wat licht te brengen in de voor een leek zo duistere wereld van deze Oosterse weldadige handenarbeid. Heeft het over drukpunten en bloedcirculatie. We moeten ook weten dat deze Oosterse methoden tot doel hebben ‘balans in je lichaam te brengen’. Want onderscheid maken tussen lichaam en geest, dat is dus foute boel. “Het gaat om het wegnemen van blokkades in de onzichtbare netwerken in je lichaam, de meridianen”. 

Want hoe gaat dat in de ‘normale’ geneeskunde als er lichamelijke of geestelijke klachten zijn? “In het lichtste geval krijgen we een aspirientje en in het ernstigste geval gaan we draaien in de molen van de reguliere gezondheidszorg. Maar dan behandelen ze de symptomen en niet de oorzaken. De traditionele Chinese geneeskunde behandelt jou als geheel, als persoon. Dát is het verschil. Het gaat er niet om wat je mankeert, maar wat de reden is dat je wat mankeert. Vergeet ook niet: we praten bij die Chinese geneeskunde wèl over 5000 jaar ervaring en over miljoenen proefkonijnen”. 

- Wat heb jij in Nederland geleerd?
“Ik heb gezien dat het ook anders kan dan ik in Israel had meegemaakt. Ik voel me betrokken bij de Nederlandse samenleving, bij de politiek, bij de bedrijfsvoering. Wat ik ook heb ervaren, is dat het hier allemaal wordt afgedekt met mooie termen, met mooi taalgebruik. Israel is groffer, agressiever, directer. Hier is het subtieler. Maar gemeenheid en sluwheid bestaan in Nederland net zo goed als in Israel. Al moet ik wel zeggen dat Nederland harder is geworden in de verhouding van mens tot mens. Het ontbreekt de mensen hier regelmatig aan geduld. Geven is niet meer vanzelfsprekend. De mensen verschuilen zich in hokjes, achter posities, achter principes van normen en waarden. Maar die normen en waarden zijn cliché’s geworden. De traditionele politieke partijen verliezen hun aanhang, de mensen hebben de neiging alles zwart-wit te zien. Als het Kabinet z’n geloofwaardigheid bij de burgers verliest, dan is het bijna gedaan. Daar ben ik wel bang voor”. 

- Heb jij nog een droom?
“Ja. Gezond doodgaan. Ik ben bezig met het laatste rondje van m’n leven. Daar zie ik niet tegenop, maar ik hoop wèl dat m’n lichaam niet aftakelt. Dat wil ik niet. Ik wil gezond doodgaan. Dat ik word geplukt en een andere dimensie inga. Maar ja, daar heb ik niks over te zeggen…” (PB)

Download de laatste krant!

Energieweg 3
2627 AP Delft

T: 015 - 214 39 12