
Dubbel Delft 3/5
Algemeen Dubbel DelftDELFT – In de winter van 1944-1945 ligt Delft stil onder een dikke laag kou. De temperaturen dalen regelmatig onder het vriespunt, terwijl kolen en gas al maanden niet meer geleverd worden. De Hongerwinter, zoals de bevolking hem is gaan noemen, laat diepe sporen na. Vooral in de ijskoude huizen waar het vuur nauwelijks meer brandt. Sinds de spoorwegstaking in september is de aanvoer van brandstof vrijwel volledig stilgevallen. De Duitse bezetter reageert met een blokkade, waardoor het westen van het land geïsoleerd raakt. Wat nog aan kolen beschikbaar is, gaat naar essentiële diensten zoals ziekenhuizen. Voor gewone burgers blijft weinig over. In Delft betekent dat improviseren. Oude stoelen, kasten en soms zelfs parketvloeren verdwijnen in de kachel. Ook worden bomen, zoals hier aan het Oosteinde, illegaal omgezaagd. Houten hekken, tramrails met houten dwarsliggers, alles wat brandbaar is, wordt losgewrikt en meegenomen. Ook kinderen worden eropuit gestuurd, met houten kistjes of sleeën, op zoek naar takken, wrakhout of afval. De zogenaamde ‘noodkachels’ of ‘wonderkacheltjes’, vaak zelfgemaakt van conservenblikken of oude pannen, bieden een minimale vorm van verwarming. Ze verbruiken weinig materiaal en kunnen op allerlei brandstoffen draaien: hout, papier, soms zelfs gedroogde turf. Ruilhandel tiert welig: een oud tafelblad tegen een handvol kolen, een winterjas tegen een paar takken. De situatie is schrijnend, maar niet zonder veerkracht. In veel buurten helpen bewoners elkaar: wie wat hout heeft, deelt het soms met buren. Mensen kloppen op deuren met de vraag of er ‘iets brandbaars’ over is. De solidariteit is niet verdwenen, al zijn de omstandigheden hard. Officiële instanties houden zich grotendeels afzijdig. Delft zucht, bibbert en hoopt op dooi. En op bevrijding.








