
Betrokkenheid Delft bij koloniale slavernij blootgelegd
AlgemeenDELFT - Van 1 juli 2023 tot 1 juli 2024 wordt het officiële einde van de koloniale slavernij in 1873 herdacht. In de aanloop naar dit herdenkingsjaar is veel onderzoek gedaan naar het Nederlandse slavernijverleden in verschillende steden. Omdat er tot nu toe in geen enkele studie aandacht is besteed aan de betrokkenheid bij de koloniale slavernij, is er in 2021 in de gemeenteraad gevraagd om ook onderzoek te laten verrichten naar het Delftse slavernijverleden. Op dinsdag 20 juni 2023 is het rapport van dit onderzoek gepubliceerd door het college.
Door Frank van der Steen
De opdracht voor het verrichten van het onderzoek werd in september vorig jaar gegeven aan een team van drie historici: Nancy Jouwe, Ingrid van der Vlis en Gerrit Verhoeven. Hierbij werden zij vanuit het Stadsarchief geassisteerd door Marion Claessens en Bas van der Wulp. Zij zijn de betrokkenheid van de stad Delft bij de slavernij in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw gaan onderzoeken, met het jaar 1873 als eindpunt. Volgens de historici wordt er nog vaak gedacht dat slavernij vooral in het Atlantisch gebied voorkwam. De West-Indische Compagnie (WIC) staat bekend om haar rol in de trans-Atlantische slavenhandel in het Caribisch gebied. Daarnaast staat de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) bekend om de slavernij in gebieden in Azië en Afrika, waaronder Nederlands-Indië. Beide compagnieën speelden een prominente rol in de slavernij in de door hen betrokken gebieden. Zowel de WIC als de VOC hadden een vestigingsplaats in Delft.
Betrokken
Delft was omstreeks 1600 een van de grootste en machtigste steden van Holland. Op politiek gebied gold Delft als de derde stad van Holland. Delftse kooplieden waren al vóór de VOC en de WIC actief in de zeehandel. De VOC en de WIC hielden zich bezig met slavenhandel en exploiteerden slaafgemaakten. In het hele VOC-gebied waren slavenmarkten, met Batavia als de belangrijkste. Hier werden slaafgemaakten aangevoerd door de compagnie zelf of door slavenhandelaren. De stad Delft en Delftenaren waren om verschillende redenen nauw betrokken bij zowel de VOC als de WIC. Vanuit Delft werden schepen geëxploiteerd en ook de aangevoerde koloniale producten werden in Delft verhandeld. Om deze reden hadden beide compagnieën bestuurskantoren en pakhuizen in Delft. Delftse burgers werkten in de stad, op zee en overzee voor de VOC en de WIC en waren betrokken bij slavernij en slavenhandel. Ze deden dit zowel in laagbetaalde functies als op hoge bestuurlijke posten.
Aandelen
In de onderzochte periode was er geen gekozen gemeenteraad zoals nu het geval is. De Veertigraad besliste wie er in het Delftse stadsbestuur kwam. De Veertigraad en de bewindhebbers van de compagnieën stonden nauw verbonden met elkaar. Van de VOC-bewindhebbers had 89% zitting, van de WIC-bewindhebbers was dit 75%. Als voorwaarde om bewindhebber van de twee compagnieën te worden moesten individuele stadsbestuurders aandelen kopen. Ook bezaten diverse liefdadigheidsinstellingen aandelen in de VOC en de WIC, waaronder de Delftse Weeskamer. De Weeskamer was onderdeel van het stadsbestuur en hield kantoor in het stadhuis. Ze zorgde voor het beheren en verdelen van boedels van Delftenaren of hun verwanten die in het VOC-gebied overleden. De weesmeesters belegden daartoe behorende gelden actief in aandelen van de VOC en WIC. Omdat het bezit van aandelen een voorwaarde was om bewindhebber te kunnen worden, investeerden ook Delftenaren in de twee compagnieën. Daarnaast investeerden ze ook in andere particuliere ondernemingen die zich bezighielden met slavernij.
Bewust
Vele Delftenaren reisden op de compagnieschepen naar VOC- en WIC gebieden en weer terug. Omdat zij brieven schreven en na terugkeer verhalen vertelden, wist iedereen in Delft dat slavernij bestond en wat het inhield. Iedereen was zich bewust van de slavernij. Ook maakten Afrikanen en Aziaten in de zeventiende eeuw al deel uit van de Delftse samenleving. De meesten van hun zullen als slaafgemaakten meegekomen zijn naar Nederland. Er is weinig informatie beschikbaar over deze mensen. Van sommigen is er niet eens een naam bekend, van anderen zijn er een aantal feiten bekend en slechts van een enkeling is er een gezicht bekend. Ook nu zijn er in Delft nog sporen te vinden die ons herinneren aan het slavernijverleden. Voorbeelden zijn particuliere woonhuizen, pakhuizen en graven in kerken. Ook na de opheffing van de VOC en de WIC bleven er banden bestaan tussen de koloniën en de stad Delft. Denk bijvoorbeeld aan de Botanische Tuin en Museum Nusantara.
Vervolg
Delft en Delftenaren waren nauw betrokken bij de VOC en de WIC en namen zo actief deel aan het mondiale economische en maatschappelijke systeem dat slavernij mogelijk maakte en in stand hield. Dit is een belangrijke conclusie die we kunnen trekken naar aanleiding van dit onderzoek. Ook zijn er meerdere voorbeelden van Delftenaren die slaafgemaakten bezaten, kochten, erfden, bij testament vermaakten, vrijlieten of bij opbod verkochten. Het college van burgemeester en wethouders van Delft is al met een reactie gekomen op het onderzoek. “Het college gaat graag met de raad in gesprek over het onderzoeksrapport en wil van gedachten wisselen over hoe we projecten en initiatieven vanuit gemeente Delft rond het gedeelde slavernijverleden kunnen ontwikkelen en faciliteren. Deze zouden een bijdrage kunnen leveren aan het bevorderen van inclusiviteit, emancipatie en participatie in Delft. We gaan, op basis van de onderzoeksuitkomsten, met elkaar als stad de dialoog aan over tolerantie en anti-discriminatie in het Delft van nu.”







