
Een stukje Delftse geschiedenis in Nieuw-Guinea
AlgemeenDELFT - Kees van Galen (88) werd in 1937 geboren in Delft en groeide op in de Isaäk Hoornbeekstraat. Als kleine jongen maakte hij in de Tweede Wereldoorlog van alles mee, van het bombardement op de Kogelgieterij tot de bevrijding van Delft. Na een studie aan de ambachtsschool koos hij er als 16-jarige voor om naar de marine te gaan. In november 1957 vertrok hij vanaf het oude Schiphol voor 18 maanden naar Nieuw-Guinea, waar hij schepen onderhield en andere militaire verplichtingen vervulde: “Ik heb mijn plicht vervuld en gedaan wat ik moest doen.”
Door Frank van der Steen
Over de Tweede Wereldoorlog in Delft kan Kees zich nog vaag dingen herinneren: “Ik was drie jaar toen de oorlog uitbrak, dus ik kan me sommige gebeurtenissen nog vaag herinneren. Wij woonden destijds in de Isaäk Hoornbeekstraat op ongeveer 200 meter van de Kogelgieterij, dus je kunt je voorstellen dat we behoorlijk veel last hadden van het bombardement in 1941. Ik weet nog dat mijn oudste broer, die twee jaar ouder was dan ik en in de coronaperiode helaas is gestorven, een gebroken been had. Wij gingen met z’n vieren naar mijn oom en tante, die aan de Bieslandsekade woonden. Toen de vliegtuigen weer bezig waren heb ik nog een keer staan schuilen bij de zaak van Gronheid op de Oude Langendijk!” Ook aan het einde van de oorlog heeft Kees nog een mooie herinnering: “Toen de oorlog was afgelopen was ik een jaartje of acht. Wat ik daar nog goed van weet is dat vliegtuigen eten en drinken dumpten boven Ypenburg. Daar ben ik toen als klein ventje nog gaan kijken!” Ondanks de bittere tijden van de oorlog heeft Kees niet het idee dat hij een vervelende jeugd heeft gehad, al zit daar wel een kleine kanttekening aan: “Ik heb best een onbezorgde jeugd gehad, op de winter van 44/45 na. Er was toen niks meer te eten, dat was echt een ramp! Zo aten we onder andere suikerbieten en bloembollen, dat was echt geen pretje. Toen mijn vader voor tewerkstelling in Duitsland zat is mijn moeder zelfs een keer op een fiets met houten bandjes naar Twente gefietst om eten voor ons te halen! Je kunt het je nu haast niet voorstellen, maar dat was echt zo.”
Marine
Na de oorlog ging Kees na de lagere school naar de ambachtsschool aan de Madelaan: “Hier volgde ik een opleiding tot machinebankwerker. Toch wilde ik daarna iets anders, ik wilde naar de marine! Mijn vader wilde dat vroeger ook, maar mocht niet van mijn opa. Gelukkig mocht ik het wél en zo kwam ik als 16-jarige bij de marine terecht. Hier begon het allemaal met een militaire keuring in Voorschoten, waarna ik in Hilversum de eerste militaire vorming kreeg. Hierna werd ik overgeplaatst naar de Technische Opleidingen Koninklijke Marine in Amsterdam, waar ik een opleiding volgde tot stoker-machinist.” Na de opleiding in Amsterdam werd Kees overgeplaatst naar Hoek van Holland: “En daar hadden ze nog een oude walvisjager! Wij deden onderzoek naar het opsporen van onderzeeboten, waarvoor we ook trips maakten naar de zuidkust van Engeland of naar de oostkust van Frankrijk. Dit was precies waarom ik bij de marine ben gegaan, ik wilde wat van de wereld zien!”
Nieuw-Guinea
Het westelijk deel van Nieuw-Guinea maakte in die tijd deel uit van Nederlands-Indië, maar was eind 1949 buiten de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië gebleven. Omdat de Indonesische leider Soekarno Nederlands Nieuw-Guinea zo snel mogelijk wilde inlijven werd dit stuk land vanaf 1950 de oorzaak van een slepend conflict tussen Nederland en Indonesië. In november 1957 besloot Kees om voor 18 maanden naar Nieuw-Guinea te vertrekken: “De meeste jongens vroegen zelf overplaatsing naar Nieuw-Guinea aan, ik zelf ook. Mijn vrouw en ik hadden verkering en als je wil trouwen heb je een paar centen nodig, dat was in eerste instantie de reden. Vlak voor ik vertrok zijn we ‘voor de wet’ getrouwd, want getrouwde mannen kregen meer salaris! In november 1957 vlogen we met een propellervliegtuig via de ‘oude’ route via Rome, Caïro, Karachi, Bangkok en Manilla naar Biak, een eiland waar ik de eerste drie maanden in een kazerne heb gezeten. We vlogen op Biak omdat hier een groot vliegveld was waar we konden landen. Wij waren hier om de zaak een beetje te onderhouden en andere militaire diensten uit te voeren. Normaal deden we in Amsterdam precies hetzelfde, maar nu zaten we op Biak in de tropische warmte!” Na een paar maanden werd Kees overgeplaatst naar Fak-Fak, een havenstad op de zuidwestkust van het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea: “We vlogen vanaf Biak eerst met de Dakota naar Sorong. Vanaf Sorong zijn we met het jacht van de gouverneur verder de kust afgezakt en voeren we naar Fak-Fak, met een tussenstop in Teminaboean. In Fak-Fak lag er een heel klein bootje op me te wachten, waar ik de enige stoker-machinist aan boord was! Op dit bootje heb ik het grootste deel van mijn tijd in Nieuw Guinea gezeten. Op dit kleine bootje waren zo’n 20 à 30 mariniers aan boord, die ter beveiliging van het land patrouille moesten gaan lopen. Wij brachten ze dan met de boot naar het strand van een vooraf vastgesteld punt. Ik noemde het altijd een ‘bananenbootje’, want de boot had een hele schuine voorkant en door middel van een plank konden de mariniers van boord. Het gebeurde ook wel eens dat er te veel rotsen waren, waardoor de mariniers met hun geweer door het water naar de kant moesten. Ze hadden dan al een nat pak voordat ze aan hun patrouille van twee weken begonnen waren!”
Vrije tijd
Ondanks het drukke programma was er volgens Kees ook ruimte voor wat vrije tijd: “Maar dan was je, mede door het warme weer, niet echt actief. In Fak-Fak lagen we met het bootje voor een steiger aan een baai. Af en toe kwam er hier een heel klein vliegtuigje landen, die de post vanuit Nederland of wat mensen bracht. Ik weet nog goed dat er met oud en nieuw een gesproken groet werd overgebracht, dat was erg moeilijk voor me.” Omdat er aan boord van het kleine schip geen koelkast was en er daarom alleen maar ‘kaak’ gegeten werd, gebeurde het wel eens dat er gejaagd werd op wilde zwijnen: “De mensen uit een kampong brachten ons op het spoor van die beesten, maar zodra het zwijn geschoten was bemoeiden ze zich er niet meer mee. Het is achteraf gezien een wonder dat er nooit iemand is doodgeschoten, want je liep dicht bij elkaar en het was behoorlijk donker! We hadden een marinier aan boord die in het burgerleven slager was, dus die heeft dat beest uiteindelijk voor ons geslacht. Toen hebben we echt heerlijk zitten eten, want het was voor de eerste keer in een lange tijd dat we een stukje vlees hadden! Er was tussen ons als mariniers eigenlijk nooit haat en nijd en er waren ook nooit vechtpartijen of iets dergelijks. Gedurende mijn tijd in Nieuw-Guinea werden sommige jongens juist echt een soort vrienden van me, maar ondanks dat heb ik me zeker wel een paar keer eenzaam gevoeld.” Op eigen verzoek werd Kees in zijn laatste periode in Nieuw-Guinea overgeplaatst naar een groter schip: de F 803 van Hr. Ms. Evertsen: “Ik was het zat om elke keer alleen ‘kaak’ te eten als we aan het varen waren. Op de Evertsen hadden ze wél koelkasten en kon je gewoon lekker en gezamenlijk eten.”
Terugreis
In mei 1959 mocht Kees, na een periode van 18 maanden, eindelijk weer naar huis: “En dat was een heerlijke sensatie natuurlijk! We vlogen met de DC-7C van de KLM via Biak, Tokio en Alaska naar Amsterdam, dus dat was een hele andere route dan de heenweg. Je leefde hier echt 18 maanden naar toe en het was een heerlijk gevoel om naar huis te gaan! Op Schiphol stonden mijn vrouw en mijn vader op mij te wachten, mijn moeder was thuis om voor de rest te zorgen. Uiteindelijk ben ik blij dat ik deze reis heb gemaakt en trots op de werkzaamheden die we daar hebben verricht. Ik heb mijn plicht vervuld en gedaan wat ik moest doen.”
Bevrijdingsdag
Afgelopen maandag was het Bevrijdingsdag, een dag waarop Kees vooral heeft genoten van het Vrijheidsdefilé in Wageningen: “Dat vond ik echt schitterend! Daarnaast vond ik het ook mooi om te zien dat Marco Kroon er als eerste bij was om die persoon in z’n kraag te grijpen, prachtig! Toch ben ik, zeker met alle onrust in de wereld, blij dat ik al op leeftijd ben. Ik zal mijn tijd wel uitdienen, maar ik denk regelmatig wel eens aan mijn achterkleinkinderen. Hoe zal dat in de toekomst gaan?”
In september 1959, ongeveer vier maanden nadat Kees terugkwam uit Nieuw-Guinea, trouwde Kees voor de kerk met zijn vrouw. Inmiddels woont Kees samen met zijn vrouw al zo’n 40 jaar met veel plezier in de wijk Tanthof.









