Piet de Vries in zijn tuin in Pijnacker met de bal die hij van de KNVB kreeg voor zijn bijdrage aan het Nederlandse voetbal.
Piet de Vries in zijn tuin in Pijnacker met de bal die hij van de KNVB kreeg voor zijn bijdrage aan het Nederlandse voetbal.

Piet de Vries: van de straat naar het Nederlands elftal

sport Hoe is het nu met?

PIJNACKER - Piet de Vries werd geboren in Rotterdam en leerde voetballen op de pleintjes van Crooswijk. Al op 8-jarige leeftijd werd hij op straat ontdekt door Sparta Rotterdam, de club waarmee hij in het seizoen 1958/1959 kampioen van Nederland werd. Hij maakte dat jaar ook nog eens zijn debuut voor het Nederlands elftal en begon niet veel later zijn eigen sigarenhandel aan de Nassaulaan in Delft. Na zijn profcarrière kwam hij via Guus Haak bij DHC terecht, waar hij een prachtige tijd beleefde. Hoe gaat het nu met Piet en hoe kijkt hij terug op deze tijd?

Door Frank van der Steen

“Ik ben ontdekt op straat”, begint de inmiddels 85-jarige Piet. “Bij mij in de straat woonde een echte Spartaman, die mij vaak zag voetballen op de veldjes in de wijk. Toen ik 8 jaar was vroeg hij mij of ik lid wilde worden van Sparta. Ik kreeg een uitnodiging en aan de hand van mijn moeder ben ik naar Sparta gegaan voor een proeftraining. Hier maakte ik kennis met mister Holl, een Engelse trainer die mij een examen afnam. Na vijf minuten kon ik naar binnen en was ik aangenomen: zo is het allemaal begonnen.” 

Eerste elftal
In Spangen doorliep hij de hele jeugdopleiding en na de B1 hadden ze bij Sparta genoeg gezien: “Ik mocht de A1 overslaan en kwam als 16-jarige gelijk in het eerste. In die tijd was Sparta een echte topclub, we eindigden ieder jaar bij de bovenste vier. Ik speelde samen met jongens als Tinus Bosselaar, Hans de Koning, Bep Zaal, Wim van der Gijp en Joop Daniëls. Het grote verschil in die tijd was dat je toen nog voor een langere periode bij een club bleef, dat zie je nu bijna niet meer. Met dit elftal werden we in 1959 onder leiding van Denis Neville kampioen van Nederland. Neville had van voetbal weinig verstand, maar door zijn verleden als sergeant-majoor in het Engelse leger bracht hij wat pit in de groep! Hij liet ons echt bikkelen: aan het begin van het seizoen moesten we zelfs van Sparta gaan hardlopen naar Hoek van Holland! Van het kampioenselftal zijn Jannie Schilder en ik de enige die nog leven, de overigen zijn helaas allemaal overleden.” Volgens Piet had hij zelfs nog een keer kampioen kunnen worden, maar Sparta gaf het toen op het laatste moment uit handen: “Een ander seizoen stonden we vier punten voor toen Hans de Koning een doodschop kreeg en zijn been brak. Hierna verloren we de laatste drie wedstrijden en werden we tweede, terwijl we vier punten voorsprong hadden!” Dat de voetballerij soms schitterende momenten met zich meebrengt blijkt wel uit deze mooie anekdote, waar Piet tot op de dag van vandaag nog emotioneel van kan worden: “Ik was een jaartje of 18 toen we thuis op Het Kasteel tegen Feyenoord speelden. Tijdens de wedstrijd gaf mijn vriend Hans de Koning iemand van Feyenoord een doodschop, maar omdat ik er vlakbij stond dacht de scheidsrechter dat ik die schop gaf! Ik was nog maar een ventje en had nog nooit iemand een schop gegeven, maar ondanks dat moest ik het veld uit van de scheidsrechter. Toen ik vlakbij de deur van Het Kasteel was gingen de jongens van Feyenoord het veld af om mij terug te halen. Niet één, maar het hele elftal”, vertelt Piet met tranen in zijn ogen. “Ik voetbalde met die jongens in het Rotterdams elftal en zij wisten dat ik nooit iemand zou schoppen. De scheidsrechter accepteerde het en ik mocht weer meedoen, in een vol stadion.”

Interland
Vlak voor het kampioenschap met Sparta in 1959 kwam voor de toen 20-jarige Piet een jongensdroom uit toen hij een uitnodiging kreeg voor het Nederlands elftal: “De club kreeg een brief van de KNVB met de vraag of ik aanwezig wilde zijn bij de trainingen en de interland tegen Bulgarije. Dat was fantastisch natuurlijk! Ik weet nog goed dat ik in die wedstrijd twee ballen gaf op Leo Canjels, onze spits die toen bij NAC speelde. Hij liep twee keer recht op de keeper af, maar miste ze allebei! Anders had ik twee assists gehad, daar lig ik nog steeds van wakker. We hadden vroeger helemaal niet zo’n bekendheid met televisie, ik heb nog wel wat kranten maar ook zij hadden die ballen geen eens gezien. De wedstrijd verloren we uiteindelijk met 3-2.” Na deze interland dacht Piet dat er ongetwijfeld nog wel meer zouden volgen, maar de realiteit was dat het gelijk zijn laatste bleek te zijn: “Ik speelde altijd als rechts- of linksbinnen, een positie die je nu niet meer ziet in de voetballerij. Tijdens de wedstrijd tegen Bulgarije zei Kees Rijvers tegen mij dat ik zijn opvolger zou worden bij het Nederlands elftal. Toen Brazilië in 1962 wereldkampioen werd met een 4-3-3 systeem bestonden er ineens geen binnenspelers meer! Van jongs af aan speelde ik in een bepaald systeem en ineens was dat afgelopen. Ik vond dat heel erg en ik heb daar heel erg veel verdriet van gehad in die tijd, ik kon er wel om huilen.”

Sigarenhandel
Nog tijdens zijn carrière begon Piet, samen met zijn vrouw, zijn eigen sigarenhandel aan de Nassaulaan in Delft: “In die tijd kon je niet leven van het geld wat je met voetballen verdiende, daarom begonnen veel voetballers een eigen winkel. Ook bij Feyenoord, Eddy Pieters Graafland had een sportwinkel en zelfs Coen Moulijn had een eigen kledingwinkel. De tante van mijn vrouw had al een sigarenwinkel en vertelde ons dat er een winkel te koop stond aan de Nassaulaan. Zodoende had ik op mijn 23ste mijn eigen sigarenhandel! Omdat ik het samen met mijn vrouw deed kon ik overdag gewoon bij Sparta trainen, terwijl zij in de winkel stond. Mensen kwamen van heinde en verre naar onze winkel, zo vergeet ik nooit meer dat schrijfster Anna Enquist langskwam. We hebben het altijd met ontzettend veel plezier gedaan, die winkel was echt ons kind. Ondanks vele overvallen, inbraken en valse loten genoten we van de gezelligheid en al die heerlijke mensen! We hebben 37 jaar lang een heerlijke gezellige tent gehad.”

DHC
Door de verandering van systeem viel Piet op een gegeven moment niet alleen bij het Nederlands elftal buiten de boot, maar kreeg hij het ook bij Sparta lastig: “Ik was niet zo groot, maar ineens moesten het allemaal grote jongens zijn. Het nieuwe systeem was een verdedigend systeem, waarin je van achteruit ging opbouwen. Wij waren juist gericht op het doel, daar moet de bal in en we moeten naar voren! De nieuwe trainer ging net zo voetballen als die Brazilianen, waardoor ik buiten de boot viel. Hierna heb ik onder andere nog bij Scheveningen Holland Sport en Fortuna Vlaardingen gespeeld, tot het moment dat ik naar Delft ben gegaan.” In Delft was Piet eerst een tijdje trainer/speler bij BEC en Delft, maar wegens omstandigheden lukte het niet meer om het trainersvak erbij te doen: “Ik was nog altijd helemaal gek van het spelletje. Helaas liep het toen in onze winkel enorm uit de klauwen, we hadden het ontzettend druk en mensen stonden echt in de rij. Hierdoor kon ik het trainersvak er niet meer bij hebben. Toen vroeg Guus Haak, waar ik altijd goed contact mee had, of ik niet nog bij DHC wilde komen spelen. Ik heb meer dan 200 wedstrijden met de oud-internationals gespeeld, waaronder Guus Haak, Sjaak Swart, Willem van Hanegem en Johnny Rep. Bij DHC heb ik een geweldige tijd gehad, wát een machtige en mooie club was dat. Ik speelde bij DHC met spelers als Leo Rontberg, Hans de Ruijter, Sjef de Poorter, Hans Suiker, Frans van Straaten en de broertjes Van Zinnen. In het tweede speelde ik als laatste man, we tikten iedereen weg en werden voor het eerst in de geschiedenis van DHC zelfs landskampioen in Zeist! Ik was een liefhebber en vond het heerlijk om met die gasten te voetballen. Hierna heb ik nog in het derde en in het vierde gespeeld en in totaal ben ik nog zo’n zeven keer kampioen geworden. Uiteindelijk heb ik bij DHC onder Guus Haak zelfs nog mogen meetrainen tot mijn 57ste. Bij DHC heb ik, na mijn tijd bij Sparta, ongetwijfeld de fijnste tijd gehad. Als ik Guus Haak zie bedank ik hem nog steeds voor de mooie tijd die ik heb mogen meemaken. Het was zo’n geweldige club.”

Genieten van het leven
Dat je iedere dag moet genieten van het leven is voor Piet wel duidelijk geworden tijdens de coronapandemie: “In de coronaperiode ben ik heel erg ziek geweest, ik wist godallemachtig niet wat er gebeurde. Ik heb in het ziekenhuis in Leiden echt op het randje gelegen, ik kon niet meer lopen en als ik dood had gegaan had ik het niet geweten. Zo ver was ik weg. Het is dat ik een wil heb en dat ik altijd ben blijven trainen, zodoende ben ik na vijf jaar weer een beetje op de goede weg. Toen ik thuiskwam kon ik nog geen drie traptreden op, maar ik ben net zo lang gaan trainen tot ik die trap op kon. Ik wilde weer gaan tennissen en sporten! Tegenwoordig lukt het me gelukkig weer om lekker te tennissen bij tennisvereniging De Delftse Hout in Delft.”

Piet de Vries speelde ruim 250 wedstrijden voor Sparta, waarin hij één keer kampioen werd en twee keer de beker won. Op 13 mei 1959 speelde hij in Sofia zijn enige interland tegen Bulgarije.

Het kampioenselftal van 1959. Staand: Wim van der Gijp, Tonny van Ede, Joop Daniëls, Piet de Vries en Tinus Bosselaar. Gehurkt: Jan Villerius, Jannie Schilder, Freek van der Lee, Andries van Dijk, Bep Zaal en Hans de Koning. (Jan Villerius was de vervanger van de geblesseerde Ad Verhoeven)