
Hijger ontkwam aan de stadhuisbrand
AlgemeenPieter de hijger was ongeveer 42 jaar oud toen pal voor zijn woning een felle brand uitbrak.
Door: Jeroen Stolk
Hij verdiende de kost als kunstschilder en de hijger was niet zijn echte naam; hij heette Pieter Michielsz. Stael. Pieter woonde aan de noordzijde van het “Marcktvelt” daar bevindt zich heden Markt 10, op enkele meters afstand van het stadhuis dat in lichterlaaie stond. De brandt ontstond in de nacht van 3 op 4 maart 1618. Geluk bij een ongeluk voor de schilder; de wind waaide richting het zuiden, dus van zijn huis af. Aan de zuidzijde van de Markt had men minder geluk en werden de gevels in allerijl bedekt met scheepszeilen. Het middeleeuwse stadhuis was niet het eerste slachtoffer van het vuur: al in 1536 was een groot deel van Delft in vlammen opgegaan. Het stadhuis kwam er toen nog goed mee weg. Nu was dat anders. Hoewel de oorzaak niet met zekerheid kan worden gesteld, wordt vermoed dat de brand ontstond in de Weeskamer. De Weeskamer kan het best worden vergeleken met een notariskantoor dat belangen van families behartigde. Doordat destijds het sterftecijfer veel hoger lag dan heden, bleven veel jonge kinderen als wees of halfwees achter. Het was dus zaak hun belangen veilig te stellen, hetgeen de taak van de Weeskamer was. Toen de houten vloer van de Weeskamer het begaf zou het vuur zich naar de daaronder gelegen secretarie hebben verspreid. Zowel in de Weeskamer als in de secretarie bevonden zich houten kisten met documenten, die grotendeels aan de vlammen ten prooi vielen. Hoewel vaak gedacht wordt dat het hele stadhuis verwoest werd, verdient dit toch wel enige nuance. De middeleeuwse stadhuistoren, ‘Het Steen’ en enkele andere onderdelen, zoals de rekenkamer en de schepenenkamer, bleven behouden. Ruimtes als de Weeskamer, de Ridderkamer en de burgemeesterskamer gingen wel verloren. Pieter Stael zag het voor zijn ogen gebeuren en het is niet ondenkbaar dat hij, zoals vele burgers, te hulp schoot. Hoe dan ook, het gebeuren maakte een verpletterende indruk op de schilder. Binnen enkele jaren zou hij samen met Pieter van Bronckhorst de brand van het Delftse stadhuis schilderen. De bewaard gebleven vermeldingen van schilderijen tonen aan dat een dergelijk werk van Stael bestond.
Niet de enige
Pieter was niet de enige Delftse kunstschilder die op deze wijze zijn opgelopen trauma van zich af schilderde. Egbert Lievensz. van der Poel deed hetzelfde na de ontploffing van het kruithuis. Verschil met Egbert was dat deze zijn dochtertje bij de ramp verloor, alsmede buren, vrienden en collega Fabritius. Bovendien verloor hij zijn hele hebben en houden. Hij besloot daarom Delft te verruilen voor Rotterdam.







