Werk voor de hondenslager (Oude Kerk Delft, Emanuel Witte, ca.1651)
Werk voor de hondenslager (Oude Kerk Delft, Emanuel Witte, ca.1651)

Oude beroepen: van kindermaker tot hondenslager

Algemeen

Door Jeroen Stolk

DELFT - In ver vervlogen tijden verdiende men dikwijls op andere wijze de kost dan men heden ten dage doet. Allerhande ambachten werden bedreven. Van sommige weten we niet eens meer wat ze precies behelsden, weer anderen droegen namen die ons de wenkbrauwen doen fronsen, zoals bijvoorbeeld de doornbreier, de kindermaker, de bokpijper en de hondenslager. In tegenstelling tot hetgeen de naam doet vermoeden, vulde de kindermaker zijn dagen niet met het verwekken van kinderen. Evenmin als de hondenslager de verwerking en verkoop van hondenvlees tot zijn dagbesteding mocht rekenen. Maar wat deden zij dan wel voor de kost? Adriaen Willemsz. woonde omstreeks 1536 in de Molenstraat alwaar hij werkzaam was als kindermaker. In feite was Adriaen een kuiper en bestonden zijn bezigheden uit de vervaardiging van tonnen. Niet van die hele grote tonnen, maar kleine vaatjes waar bijvoorbeeld haring of boter in werd bewaard. Delftse boter was één van de producten die tot ver buiten de stad bekend stonden om hun zeer hoge kwaliteit. Wanneer je de vaatjes die Adriaen Willemsz. produceerde naast een reguliere grote ton plaatste, toonde het als een vader of moeder met enkele kinderen. Vandaar dat een klein vaatje “kindekijn” of “kinnetje” genoemd werd en de kuiper die ze maakte “kindermaker”. Een hondenslager had in het geheel niets van doen met hondenvlees. Het woorddeel “slager” moet men zien als een afgeleide van het werkwoord slaan. Op oude schilderijen van Delftse meesters als Gerard Houckgeest, Hendrick Cornelisz. van Vliet en Emanuel de Witte is goed te zien dat door de openstaande kerkdeuren niet alleen kerkgangers het godshuis betraden, maar ook straathonden en spelende kinderen. Het kwam niet zelden voor dat de honden het bedehuis bevuilden met ontlasting of er de rust verstoorden met hun geblaf. Ook rennende en schreeuwende kinderen droegen bij tot de overlast. Het was dan de taak van de hondenslager, die aangesteld was door het kerkbestuur en uitgerust met een stok, om zowel honden als kinderen met harde hand het kerkgebouw uit te werken. In het jaar In 1562 werd de Delftse hondenslager Andries door de Oude Kerk voor bewezen diensten beloond. Dit werd als volgt in de boeken bijgeschreven: “Betaelt Andries den hondtslaegher van d’Oude Kercke van dat hij op Ghoede Vrijdach de plaetse in de kercke bereyt heeft, dair die waerdeyns horen eedt doen.” Rest ons nog de doornbreier en de bokpijper te verklaren. Taak van de doornbreier was het vervlechten van de takken van de hagendoorn tot een ondoordringbaar geheel. Deze struiken, met vlijmscherpe dorens vormde een eerste hindernis voor de vijand, nog vóór hij de stadsmuur bereikte. De bokpijper was een doedelzakspeler, verbasterd van het Engelse bagpiper. Dit artikel werd eerder gepubliceerd in “Delft Anders Bekeken”.