Het vrouwenoproer van 1616 door kunstschilder António Teódosio
Het vrouwenoproer van 1616 door kunstschilder António Teódosio

Mama is boos (1)

Algemeen

DELFT - Ten onrechte wordt vaak gedacht dat vrouwen in de zestiende en zeventiende eeuw niets te vertellen hadden. Inderdaad, volgens de kerkelijke leer diende de vrouw volgzaam te zijn aan haar echtgenoot. Ongehuwde vrouwen hadden hun vader of broer als voogd. 

Door Jeroen Stolk

Toch waren vrouwen in de Lage Landen vrijer en mondiger dan hun seksegenoten elders. En als het erop aankwam, lieten zij zich zeker gelden. In ‘Delft anders bekeken’ deel 2 kon u hierover al lezen (Honger in Delft). Dat was echter niet de enige keer dat Delftse vrouwen van zich lieten horen. We schrijven het jaar 1616. Het stadsbestuur zit krap bij kas door uit de hand gelopen kosten bij de aanleg van een haven bij de Kolk. De veertigraad buigt zich over de vraag hoe het financiële gat te dichten. Na rijp beraad besluit men de accijns op het malen van graan te verhogen. Maar deze maatregel werd hen niet in dank afgenomen. Vooral niet daar men tezelfdertijd de wijnaccijns verlaagde waarmee men het rijkere deel van de bevolking bevoorrechtte. In allerijl trachtten de burgers nog snel even graan te laten malen, maar zoveel toeloop konden de molenaars niet aan. De dag waarop de verhoging van kracht werd vervoegde de accijnspachter zich bij de molen aan de Geerweg. Nadat de eerste vrouwen zich meldden om hun gemalen graan op te halen ontstond al snel een opstootje. Een aantal van hen weigerde namelijk de accijnsverhoging te voldoen. De zaak escaleerde al snel met als resultaat dat de belastingpachter de benen moest nemen en een woning in vluchtte. Een bonte stoet van boze vrouwen zette koers naar het stadhuis. Daarbij zoveel mogelijk kabaal makend door op een trommel en een ketel te slaan. Als vaandel droegen zij een schort aan een lange stok met zich mee. 

Volgende week leest u hoe het verder ging.