Wilma Keizer heeft het even gehad met jeugdtheater en zo, ze is weer fanatiek aan het schilderen
AlgemeenDELFT – Praten met Wilma Keizer is toch vooral ook praten over Jan van der Mast. Dat is niet zó vreemd, want dit Delftse artistieke stel doet méér samen dan wonen, de kost verdienen en de twee kinderen grootbrengen. Theaterproducties, schilderijen, toneelstukken schrijven, lesgeven, de twee draaien er, samen of individueel, de handen niet voor om.
Wilma Keizer (44) groeide op in Den Haag. Ze was tien toen ze naar Delft kwam. “Mijn vader ging hier werken als directeur van het Renswoudehuis, voor moeilijk opvoedbare jongens. We kwamen in een dienstwoning te wonen. We gingen van een bovenwoning in Den Haag naar een geweldige bungalow in Delft, met een woonkeuken en een open haard. De deur stond altijd open, nee, ’s avonds en ’s nachts natuurlijk niet, maar iedereen kon binnenlopen. Het was een heel leuke tijd”.
- Heb je daar nog wat aan overgehouden, aan die tien Haagse jaren?
“Ik ben nu veel meer op Rotterdam gericht dan op Den Haag, qua winkels, qua musea, qua galerieën. Dat was al zo in m’n studententijd”.
Ze was, zegt ze, als kind ‘nogal een kattenkop’. Open en spontaan, dat ook. Lacht: “En ik was mollig”. Op de charmante opmerking dat dat aardig is overgegaan, reageert ze: “Maar daar voer ik altijd wel strijd mee”.
Ze was dus nogal kattig. En niet, omdat ze zich tussen dominante macho-achtige broers staande moest zien te houden, want ze had geen broers. “Maar ik moest wèl opboksen tegen drie oudere zussen. Ik werd ook altijd ‘kleintje’ genoemd. Het mooie is: ik heb nu twee heel lieve zoons. Dan zegt m’n zus: Hoe kan jij, als kreng, nou van die lieve kinderen hebben? En mijn lieve zus heeft juist twee kattige jongens”. Misschien wel hierom: “Jan van der Mast was vroeger een heel lief kind”.
Ze versleet in haar jonge jaren drie Lagere Scholen. Twee in Den Haag, één in Delft. “In Den Haag had ik in groep drie een vreselijke meester. Die trok bepaalde kinderen verschrikkelijk voor. Toen kwam hij met de mededeling: Ik ga met jullie mee naar groep vier. Ik zei: Oh nee. En ik ben naar een andere school gegaan. We kregen zelfs de dominee op bezoek. Dat dat niet kon, één kind uit een gezin van school halen en de andere twee die er bleven”. Ze kon, weet ze nog, redelijk leren. “MAVO/HAVO-advies”. Maar: “Talen vond ik lastig. Voor dictee kreeg ik een 1 of een 2…” Ze deed de MAVO. Ze doorliep de HAVO. Ze volgde de Lerarenopleiding Tekenen en Handvaardigheid.
Allemaal met diploma’s als bekroning van het blokken. “Ik heb toen één jaar Tekenen gegeven, op een Scholengemeenschap in Schoonhoven. Dat ging redelijk.
Vakinhoudelijk deed ik het zelfs erg goed, maar het orde houden ging nièt altijd even goed”. Bovendien: “Ik wilde toch liever zelf kunstenaar zijn”. Toch gaf ze nog een jaar Tekenen, Handvaardigheid en Textiel op een Rotterdamse Lagere School. “Eén dag in de week. Begon ik met de kleuters. Kreeg ik elk volgend uur een maatje groter. Was heel leuk. Dan stonden die kinderen juichend op de gang: Juf, juf, wat gaan we doen?”
Het was toen ze de Lerarenopleiding volgde dat ze actief werd in het theater. Ze weet nog: “In het Schoolkrantje stond een oproep. Of iemand decors en theaterkleding wilde maken voor een productie die Piet van der Pas regisseerde. Bij Theater De Spieghel. Daar heb ik toen de kleding voor gemaakt. Daarna mocht ik weer kleding ontwerpen voor een andere productie. Eigenlijk doordat Piet van der Pas tegen me zei: Je weet zo goed wat je wilt, waarom ga je dat niet zelf doen? ben ik gaan regisseren. Toen ook ben ik Jan van der Mast tegengekomen. Hij had Bouwkunde gedaan, maar hij was vooral aan het schrijven. We hebben toen samen onze eerste theaterbewerking gemaakt”.
Die kennismaking ontaardde in een niet geringe samenwerking, die aanzienlijk verder reikte dan het theater. “We hebben, tot vorig jaar, 23 theaterstukken samen gemaakt”. Ze maakten vooral ook jeugdtheater. “Veel mensen denken dan dat je met kinderen werkt, maar dat was niet zo. We werkten met volwassen acteurs, voor kinderen van acht jaar of ouder. Ons uitgangspunt was altijd dat de voorstelling voor de ouders net zo leuk moest zijn als voor de kinderen. We hebben eigenlijk altijd familievoorstellingen gemaakt. Waarbij we wel altijd aan de luchtig-humoristische kant zaten”.
- Hebben jullie dan ook wel zo ongeveer hetzelfde gevoel voor humor?
“Ja, ik denk het wel. Hoewel ik af en toe toch wel wat strenger ben. Dat ik er soms wat meer met de rooie pen doorheen ga. Zo van: Die grap vind ik tè flauw. Maar ik denk dat we elkaar goed aanvullen. Ik met beelden, maar ook met een voorkeur voor een soort naturel spel. Jan met zijn teksten, scherp en humoristisch. Ja, het is heel moeilijk om iets zonder elkaar te doen”.
- Vind jij Jan als tekstschrijver goed?
“Ja. Eigenlijk vind ik hem het best in columns. Het is doodzonde dat hij niet ergens een column heeft. Dat is z’n grootste kracht. Dat zal hij ook altijd blijven doen, columns schrijven, ook al vragen ze er niet om. Ze moeten er gewoon uit”. Dan: “Vergeet niet dat we allebei autodidacten zijn. We zijn zo maar begonnen. In de loop der tijd hebben we erg veel bijgeleerd”.
- Schaam je je wel ’s een beetje voor wat je in je begintijd maakte?
“Nee. Er is geen één stuk waar ik me voor schaam. Oók niet voor m’n eerste schilderij. Aan de ene kant groei je, aan de andere kant raak je je onbevangenheid kwijt”. Ze noemt als voorbeeld de theaterproductie ‘Dood van een sardien’, uit 1992. “Ik zou nu zeggen dat Jan die tekst toch eerst wat begrijpelijker, wat minder abstrahistisch zou moeten maken”.
- Hoe kwamen jullie aan en op je ideeën?
“Heel vaak als we samen op vakantie waren. Of als we langs het strand wandelden. Maar het gebeurde ook dat we eerst improvisaties gingen doen. Dan werkten we een paar dagen met acteurs en dan ging Jan daarna schrijven. En daarna gingen we anderhalf, twee maanden repeteren. Het kwam ook voor dat Jan de tekst had geschreven en dat ik daarmee dan aan de slag ging. Bij de Mooi Weer Spelen was er weer eerst het beeld en werd daarna de tekst of een lied geschreven”.
- Is het moeilijk om steeds maar origineel te zijn?
“Dat vind ik niet”. Toch: “We hebben het wel ’s gehad, dan gingen we naar een voorstelling. Kwamen we de zaal binnen en dan zagen we een decor dat ik óók letterlijk uitgebeeld had. Dat zat kennelijk in de lucht, het was gewoon puur toeval. Maar ik heb wèl die hele voorstelling zitten balen”.
“Wat je bedenkt, moet je dichtbij jezelf zoeken. In waar je zelf in leeft, in je eigen fascinaties. Als je al te geforceerd op zoek gaat, wordt het te verkrampt. En dan vind je het niet”.
Ze is intussen al weer even gestopt met die theaterproducties. “Na een aantal jeugdtheaterstukken was de uitdaging even weg. Dat zat ‘m meer in de formule. Nee, het kriebelt nog niet”. Dat komt ook: “Ik vind het zalig om in m’n eentje in m’n atelier te schilderen”.
Ze heeft zich (weer) op het schilderen gestort. Dat er voorlopig geen theaterproducties van de grond komen, heeft overigens ook gevolgen voor tekstschrijver Jan van der Mast. Daarom: “Hij is nu weer even werkzaam in het onderwijs”.
- Kun je ervan leven, van die kunstenmakerij?
“We hebben geen dik inkomen, maar we kunnen er wel van leven. Toen ik een atelier ging huren, in Bacinol, had ik wel even de angst van: Oh, het moet natuurlijk niet alleen geld kósten. Dat kan ik niet opbrengen. Gelukkig levert het geld op. Als je erop moet gaan toeleggen, wordt het een soort hobby, die je je niet kunt permitteren. Ik vind het belangrijk dat ik voor m’n kinderen de school kan betalen en de voetbalvereniging. We rijden in een oude auto. We gaan af en toe met vakantie. Het gaat best wel goed”.
Schilderen, dát is wat Wilma Keizer nu doet. En niet zo’n beetje ook. “Ik wil met schilderen verder komen, maar ik heb het mezelf niet makkelijk gemaakt door, toentertijd, zo aan theater te gaan doen”.
- Maar het talent dat je hebt voor schilderen raak je toch niet zo maar kwijt?
“Dat is wel zo, maar het duurde toch wel even voordat ik op m’n oude niveau zat. Kunstenaar zijn, dat is bijvoorbeeld óók zaken doen. Je moet de galerieën langs. Ik denk wel ‘s: Ik ben nu 44, ben ik niet te oud? Ik heb wel een soort haast”. Ze kreeg, kijkt ze even terug, in 1995 haar eerste kind. “De jaren daarna heb ik nauwelijks geschilderd. Te weinig in elk geval om me te kunnen ontwikkelen. Toen ik weer begon, had ik een soort angst. Kan ik het nog wel? Wat moet ik gaan maken? Ik heb mezelf over die drempel moeten helpen, ik moest echt weer m’n eigen weg vinden”.
- Hoe omschrijf je het werk dat jij maakt?
“Dat vind ik altijd heel moeilijk. Laat ik zeggen: mijn werk is heel energiek en kleurrijk. Denk maar aan Cobra en dat soort tradities. Ik vergelijk het met iemand die een muziekstuk maakt. Het gebeurt impulsief. Ik bedenk het niet van tevoren. Vroeger maakte ik wel eerst schetsen, maar dat doe ik niet meer. Ik reageer nu heel erg op toevalligheden en dat bouw ik dan uit”.
“Ik ben meestal met meer doeken tegelijk bezig. Dat zijn dan doeken in de beginfase, doeken in de eindfase en doeken waarvan ik niet helemaal weet of ze af zijn. Soms is dat wèl duidelijk, soms heeft het langer nodig voordat het helemaal klopt”.
- Wil je per se dat je schilderijen mooi gevonden worden? Of telt alleen of je ze zelf geslaagd vindt?
“Natúúrlijk wil ik dat ze mooi gevonden worden. Maar mijn schilderijen moeten vooral uitdagen om ernaar te blijven kijken. Dat is het lastigste, die combinatie van esthetiek en ruigheid. Maar ik ben wèl de enige die dat kan beoordelen. Anders heb ik geen referentiekader. Er bestaat geen algemene smaak. Ik kan alleen maar van mezelf uitgaan”. Ze noemt weer een voorbeeld. “Ik ben voor het eerst wat abstracte dingen gaan maken. Mijn achterban, dus mijn familie en vrienden, moet er niet veel van hebben. Mijn cursisten begrijpen mij wèl”.
- Gaan je schilderijen, naarmate je er meer gemaakt hebt, niet erg op elkaar lijken?
“Het doek dwingt af waar het naartoe gaat”. Ze bedoelt: “Kleine doekjes, portretjes, grote doeken, dat is een heel verschil. Soms gebeurt het ook dat ik een doek later opnieuw aanpak, omdat het nog niet helemaal naar m’n zin is. Dan verandert zo’n doek soms heel ingrijpend. Ik werk met olieverf. Wil je dingen veranderen en verbeteren, dan moet het eerst helemaal droog zijn voordat je weer een andere laag kunt aanbrengen. Daarom ben ik ook met verschillende doeken tegelijk bezig”.
- Zijn het niet vooral de elitaire kringen waarvoor jij artistiek in de weer bent?
“Als ik zie wat voor mensen bij mij schilderijen kopen, dan zijn dat echt niet mensen met heel veel geld. Het zijn mensen die unica’s willen kopen en niet die posters van IKEA”.
- Is er in Delft en omgeving voldoende belangstelling voor kunst?
“Er zijn hier waanzinnig veel kunstenaars. Er is wel belangstelling voor kunst, maar gezien de grote aantallen kunstenaars zou dat nog wel wat beter kunnen”.
Wilma Keizer, en dat is even heel iets anders, is gek van voetbal. Ze deed dat ooit, als jong meisje, bij KFC ’71. Ze doet het nog steeds, in één van de twee ‘ouwe-wijven-zaalteams’ van SEP. Goed is ze zeker niet, “maar ik vind het zo’n leuk spelletje”. De hele familie vindt dat trouwens. Jan van der Mast voetbalde bij Delfia en traint nu jeugd bij Concordia. De twee zoons kunnen ‘heel aardig’ voetballen, zegt moeder Wilma bescheiden èn trots. “Ze zijn heel technisch”. En, dat is wèl even slikken voor schrijver dezes die alles met de mantel der Ajax-liefde pleegt te bedekken, de hele familie is belijdend Feyenoordfan. “En ik kom uit een Ajax-gezin”, zegt Wilma die door haar Jan is bekeerd…
Wat Wilma Keizer óók doet, is schilderles geven aan gevorderden. Bij de VAK. Waar ze vijf groepen van een man en vrouw of vijftien elk op weg helpt. “Ik leer ze kijken. Geef ze het vertrouwen dat ze dingen kunnen maken. Leer ze hun eigen creativiteit ontdekken. Leer ze ook experimenteren. Ja, er zitten wel talenten tussen. Ik denk dat je talent kan ontwikkelen. Dat schilderen voor een deel toch niet anders is dan een aantal andere vakken die je kunt leren. Tekenen, handvaardigheid, daarin kun je kinderen echt heel wat leren. Hoe vèr je ermee komt, dat heeft natuurlijk ook met talent en aanleg te maken”.
- Heb jij nog een droom?
“Ik wil met mijn werk wel in een museum terecht komen. Of uitgezonden worden naar de Biënnale in Venetië”. Lacht: “En ik wil wel ’s wat meer geld hebben, zodat ik een mooi huis kan kopen”. (PB)
Download de laatste krant!
Energieweg 3
2627 AP Delft
T: 015 - 214 39 12
info@delftopzondag.nl