
De geschiedenis van de Brabantse Turfmarkt
AlgemeenDELFT - De naam van deze iconische Delftse gracht verraadt het eigenlijk al, maar de geschiedenis van de straat is onlosmakelijk verbonden met het goudgele gerstenat.
Door: Jeroen Stolk
Omstreeks het jaar 1500 beleefde Delft de hoogtijdagen van de bierindustrie. Met maar liefst 200 brouwerijen in het stadshart ging er een reusachtige hoeveelheid brandstof doorheen om de kelders en ketels heet te stoken. De lokale turfvoorraden schoten ruimschoots tekort, waardoor men uitweek naar de rijkere hoogveengebieden van West-Brabant en De Peel. Via met de hand gegraven turfvaarten werd dit ‘bruine goud’ per platbodem naar Holland verscheept. In Delft meerden deze turfschuiten af bij twee turfmarkten: de pontemarkt en de Brabantse Turfmarkt. Zij lagen in elkaars verlengde waar zich heden de Brabantse Turfmarkt bevindt. De Brabantse Turfmarkt liep toen nog door tot waar tegenwoordig de zaterdagse markt gehouden wordt. De pontemarkt was gelegen tussen de Burgwal en de Molslaan. De turf uit Brabant werd gelost tussen de Molslaan en de Breestraat. Het product werd zoals gezegd aangevoerd in platbodemvaartuigen die met behulp van een vaarboom werden voortbewogen. Vaak waren dat dezelfde schepen die het bier de stad uitvoerden en als retourvracht turf laadden. Eenmaal in Delft aangemeerd moest de schuit gelost worden. Omdat de Gemeente daar ook graag een graantje van meepikte lieten zij de schipper accijns betalen over de geloste handel. Teneinde de hoogte van het verschuldigde bedrag vast te stellen moest de losse turf overgeheveld worden in grote vaten die aan de walkant stonden opgesteld. Dit overhevelen werd door zogenaamde turfhevers of turfdragers gedaan.
Gevulde vaten
Op het schip vulden vrouwen manden met turf. De turfdragers namen de mand op de schouder en leverden die aan wal af bij de turftonsters. Turftonsters waren dames die de vaten met turf uit de manden vulden. Aan de hand van het aantal gevulde vaten werd bepaald hoeveel de schipper aan de stad moest afdragen. Het zware en vuile werk van de raapsters, dragers en tonsters werd doorgaans verricht door de allerarmsten. Alleenstaande weduwen met grote gezinnen kwamen als eersten voor dit werk in aanmerking. Als het werk gedaan was mochten deze arbeiders de overgebleven brokstukken mee naar huis nemen als brandstof. Niet alle aangevoerde turf bleef in de stad. Een deel werd doorgevoerd naar het achterland. Toen de brouwersnering inboette aan betekenis trok dit de turfhandel mee naar beneden. Redenen waren gelegen in het gegeven dat steeds meer steden zelf bier gingen brouwen, maar ook de oorlog met Spanje deed er geen goed aan. Medio zeventiende eeuw waren er nog maar 25 van de 200 brouwerijen in Delft over.
Geschiedenis in leven houden
Veel straten in de oude binnenstad van Delft verwijzen naar de producten die er ooit verhandeld werden. Denk daarbij aan Koornmarkt, Peperstaat, Wijnhaven, Beestenmarkt en Boterbrug. Zo ook de Brabantse Turfmarkt. De beroemde Delftse kunstschilder Leonard Bramer vervaardigde een afbeelding van een turftonster. U hoorde het al eerder van mij, maar zou het geen mooi eerbetoon zijn aan zowel de Delftse meester Bramer als aan de turftonsters, -dragers, -raapsters en uiteraard de brouwers, wanneer Bramers prent als bronzen beeld op de Brabantse Turfmarkt verrijst? Hiermee wordt bovendien de geschiedenis van deze Delftse straat in leven gehouden.
Turftonsterbrug
Bramer woonde op loopafstand van de Turftonsterbrug, wat het historische en artistieke belang van deze plek nog eens benadrukt. Als perfecte locatie zou het beeld daarom toch het meest tot haar recht komen vlak bij de Turftonsterbrug.







