
Het Delftse geslacht Stuijling (3) Cornelis de goudsmid
AlgemeenDeze week verdiepen we ons verder in het Delftse geslacht Stuijling waar we de afgelopen weken al mee kennismaakten. Beide zonen van ridder Andries Stuijling, Gerrit en Cornelis, waren goudsmid. Het was deze generatie die minder gebruik gingen maken van de naam Stuijling doordat zij die voortaan noteerden als Stuling.
Door Jeroen Stolk
Met het werk van Cornelis zou u bekend kunnen zijn wanneer u in de zomer van 2020 de tentoonstelling “Een gouden greep uit Delfts zilver” in Museum Prinsenhof Delft heeft bezocht. Onder de topstukken bevond zich een object uit een privécollectie dat door Cornelis Andriesz. Stuijling werd vervaardigd. Het was een zilveren drinkbeker in de vorm van een puntschoen, vervaardigd in opdracht van het Delftse schoenmakersgilde. Cornelis begon op ca. 12-jarige leeftijd als leerjongen bij het Delftse Sint Eloygilde voor goud- en zilversmeden. Hij was twintig jaar oud toen hij meester edelsmid werd en zou meerdere malen optreden als keurmeester en hoofdman (deken) van dit gilde. Zijn oom was de Delftse burgemeester Michiel Jansz. Camerling. De echtgenote van Cornelis was telg uit het adellijke geslacht Heemskerk van Beest. In haar voorvaderlijk geslacht kwamen kruisridders (zgn. Jerusalemridders) voor. Ook de beroemde Jacob van Heemskerk, die met Willem Barentsz. de tocht naar Nova Zembla maakte, behoorde tot deze familie. Cornelis was een actief baasje; naast edelsmid was hij in 1559 en 1563 leproosmeester bij de Nieuwe Kerk, hij trad op als voogd en wierp zich op als borg voor het poorterschap van stadgenoten. Voorts bezat hij stukken grond. Bij zijn overlijden in 1600 woonde Cornelis Andriesz. inmiddels op het Bagijnhof.
Volgende week deel 4 uit deze serie: van Stuijling tot Stoelinga.
