De tekst op deze gevelsteen (Hofje van Klaeuw) lijkt te verwijzen naar de leerlooierij 
die er direct achter lag aan het Oosteinde. (Foto: J.W.Stolk)
De tekst op deze gevelsteen (Hofje van Klaeuw) lijkt te verwijzen naar de leerlooierij die er direct achter lag aan het Oosteinde. (Foto: J.W.Stolk)

Gouden-eeuws Delft in geur en klank

Door Jeroen Stolk
DELFT - Het is nog niet zo lang geleden dat een bezoekje aan Delft gepaard ging met de stank van gist en ethanol, afkomstig van de gistfabriek. Samen met de massale afgifte van verbrandingsgassen door het verkeer vormde dat een stinkende cocktail. De geur van gist ruiken we allang niet meer. En met de energietransitie verdwijnen ook de geuren afkomstig van de verbranding van fossiele brandstoffen, evenals de bijbehorende geluiden van dat verkeer. Onze (klein)kinderen zullen in een stillere en hopelijk schonere wereld opgroeien. Maar hoe zat dat in de Gouden Eeuw? Met welke geuren en geluiden hadden onze voorouders te maken? Laten we dat proberen te reconstrueren. De circa 200 bierbrouwerijen in Delft zullen daar behoorlijk hun stempel op hebben gedrukt. Ze zaten langs bijna alle grachten, uitgezonderd die waar de lakenindustrie actief was. Deze lakenindustrie zal (al dan niet gefermenteerde) urinegeuren verspreid hebben, maar ook de geur van lanoline (schapenvet) en mogelijk mestresten. Ook het verven van de wol kon naar fermentatie en zwavel ruiken, terwijl bij het vollen een ammoniaklucht werd afgegeven. Afgezien van metaalschrapen, het kraken van grote persen en het onafgebroken geklap van getouwen, waren de geluiden van deze bedrijfstak te overzien. De brouwerijen verspreidden een warme, zoetige geur van gemoute gerst, nat graan, kokend wort, gistend bier en zure bierdampen. Tijdens het brouwen hing er een broodachtige, moutige, soms karamelachtige geur. Kuiperijen gaven ook hun geuren af, zoals die van vers eikenhout, nat hout, hars en stoom van gebogen duigen. Je kon er de klanken horen van ritmisch hameren op hoepels, schaven, zagen en van stoom en gekraak van hout. In en rond brouwerijen werd het gehoor blootgesteld aan rollende biervaten, klotsend water, roeren in kuipen, scheppen van mout en ratelende kettingen. Vooral in de omgeving van de stadspoorten waren (hoefijzer)smeden gevestigd. Rond deze bedrijven rook het naar steenkool- en houtskoolrook, heet ijzer en verbrande olie. Op het Oosteinde zal het wellicht het minst fris geroken hebben. Naast brouwerijen bevonden zich daar leerlooierijen en de teerstoven van de VOC. De looierijen zullen de meest penetrante geur verspreid hebben, waaronder die van rottende huiden, urine, mest. Teerstoven roken naar pek, hars, verbrand hout en scheepsteer. Tel daar de open riolen en stadsboerderijen bij op, dan zal de stank niet te harden geweest zijn. Delft in de Gouden Eeuw moet een kakafonie van geluiden zijn geweest vermengd met een scala aan niet te frisse geuren. Maar voor de Delvenaar van toen was het de vanzelfsprekende geur en klank van bedrijvigheid en welvaart.