
Deel 3 Jongeren – De politiek
AlgemeenDit is een onderzoek naar ‘jongeren en werk’ in de wijken Voorhof, Buitenhof en Tanthof-West. Van de Delftse jongeren die niet werken en niet leren woont een groot deel in Delft-West. Wat doet het project ‘Wij West’ voor hen? Het resultaat zijn vier artikelen: Grote beloften, Jongerenactiviteiten, De politiek, De balans.
Omroep Delft meldt op 17 december 2025 dat Carmen Sjardijn, programmadirecteur van Wij West, per 1 april 2026 vertrekt. Tegelijkertijd laat burgemeester Alexander Pechtold weten dat de sturing van het project opnieuw wordt bekeken. Wie heeft welke rol, wie is waarvoor verantwoordelijk en hoe moet Wij West verder? Volgens Pechtold is het project toe aan een nieuwe fase. Daarom worden de rol van de Alliantieraad, de werkwijze en de verdeling van verantwoordelijkheden tegen het licht gehouden. Op 1 april begint ook een nieuwe programmadirecteur. Dat is relevant voor het debat over jongeren, want juist bij onderwerpen als overlast, kansen, werk en opvoeding komen politieke verschillen en overeenkomsten scherp naar voren.
Door Willem de Bie
De raad en de wethouder
In de Delftse raad komt het gesprek over jongeren steeds terug. Niet omdat iedereen hetzelfde ziet, maar omdat jongeren voor veel raadsleden het duidelijkste teken zijn van wat er in Delft-West misgaat. Tegelijkertijd zien zij ook juist daar kansen om verbetering te brengen. De één kijkt vooral naar onrust, overlast en veiligheid. De ander benadrukt de gevolgen van jarenlange achterstand: armoede, problemen thuis en een gebrek aan plekken waar jongeren terechtkunnen. Zo komt het debat steeds neer op dezelfde vraag: investeren we vooral in perspectief, of grijpen we vooral in met handhaving? En hoe zorg je dat het ene het andere niet verdringt?
Bram Stoop (Hart voor Delft) en Sivan Maruf (D66) staan vaak aan verschillende kanten van dit spanningsveld. Wethouder Karin Schrederhof (PvdA) vertaalt die spanning vervolgens naar beleid en uitvoering. Maar juist als je hun standpunten op elkaar legt, zie je waar ze elkaar raken en waar het wringt.
Investering
Neem de vraag waar je begint. Schrederhof trekt het perspectief wijd: Wij West gaat volgens haar niet alleen over ‘nu’, maar over generaties. Je moet vroeg beginnen, bij gezinnen met jonge kinderen, ‘zelfs vóór de geboorte’, in de sfeer van opvoeding en ondersteuning. Maruf herkent dat. Voor hem is Wij West in de kern geen project, maar een investering in kinderen en ouders: structureel opbouwen zodat de volgende generatie meer kansen krijgt.
Hij wijst op wat er achter de voordeur speelt - ziekte, geweld, verslaving - en op het effect daarvan op school en gedrag. Stoop kiest een ander vertrekpunt. Hij vindt dat je niet alleen moet kijken naar een paar focusbuurten. Jongerenproblematiek is volgens hem stadsbreed. De onrust rond vuurwerk, cameratoezicht en spanningen in wijken als Buitenhof en Tanthof ziet hij niet als losse incidenten, maar als een patroon van rondhangende jeugd en soms criminaliteit. Jongeren zitten, in zijn woorden, ‘in het midden van het probleem’.
Wat doe je dan
Welk startpunt je ook kiest, uiteindelijk draait het om de vraag wat er moet gebeuren. Stoop legt de nadruk op grenzen stellen. Voor hem vormen overlast en veiligheid het beginpunt. Hij is vooral uitgesproken over de groep minderjarige asielzoekers rond Tanthof en het AZC. Volgens hem ontbreekt het in meerdere woonwijken aan voldoende begeleiding, met overlast tot gevolg. De gemeente kijkt volgens hem te snel naar oplossingen voor bewoners, terwijl begeleiding en handhaving juist steviger moeten worden ingezet. Zijn boodschap: praat niet alleen over kansen, maar wees ook duidelijk over normen en grenzen.
Maruf zet daar een waarschuwing tegenover die je in de raad vaak hoort: als je de basis niet opbouwt, kom je uiteindelijk toch weer uit bij politie en maatregelen. Hij draait de vraag ‘wat levert het op?’ om naar ‘wat gebeurt er als we níét investeren?’ Zijn antwoord: ‘dan loop je het risico op achteruitgang, en dan volgt vanzelf de reflex van streng optreden.’
Repressie
Hij verwijst naar eerdere bezuinigingen en het wegvallen van plekken waar jongeren kunnen samenkomen. Thuis was vaak geen plek, en simpele dingen als na het sporten nog even blijven hangen werd onmogelijk omdat sporten voor veel gezinnen te duur is geworden. Op de overlast die ontstond werd vooral gereageerd met controles en handhaving. Maruf koppelt dat ook aan eigen ervaring: vaker staande gehouden, vaker gecontroleerd. In zijn visie is Wij West bedoeld om dit patroon te doorbreken.
De wethouder
Schrederhof probeert de lijnen bij elkaar te brengen. Aan de kant van veiligheid en structuur wijst ze op het project ‘preventie met gezag’ onder de verantwoordelijkheid van de burgemeester: voorkomen dat het misgaat, met duidelijkheid en begeleiding. Tegelijk benadrukt ze dat kansen niet iets vaags hoeven te zijn. Ze noemt de ‘Rijke Schooldag’, waarbij organisaties buiten school extra activiteiten en talentprogramma’s bieden.
Het doel is kinderen werelden te laten ontdekken zonder dat leraren er nóg een taak bij krijgen. Dat sluit aan bij Marufs nadruk op opbouwen, maar raakt ook aan het standpunt van Stoop: als je jongeren eerder in beeld hebt, voorkom je dat problemen later alleen nog met handhaving te stoppen zijn.
Circuit van uitvoerders
Bij oudere jongeren wordt het debat concreter, omdat het dan al snel over werk gaat. Stoop noemt jeugdwerkloosheid ‘urgent’. Hij koppelt het aan geld en verantwoordelijkheid. Delft is eigenaar van ‘Werkse’ (helpt bij het zoeken naar werk), maar volgens hem blijven middelen te veel hangen in een circuit van uitvoerders: te veel indirecte kosten. Zijn alternatief is directer: zet een deel van het geld dichter bij ondernemers, zodat zij jongeren kunnen opleiden in betaalde leerbanen. Dat is volgens hem ook preventie: één jongere die afglijdt kost veel; investeren in werk en begeleiding is relatief goedkoop.
Schrederhof schetst de route naar werk vanuit de stad in een breder perspectief: kansen rond TU-bedrijven in het Innovatiedistrict, maar óók moderne vormen van maakwerk en de opleidingen die daarbij passen. De komst van Mondriaan (mbo) ziet ze als schakel. Ze benadrukt daarbij een werkelijkheid die in een kennisstad makkelijk onderbelicht blijft: veel Delftenaren hebben een mbo-achtergrond en vakmensen zijn hard nodig.
Maruf kijkt bij werk nog naar een ander effect: hij ziet dat meer jongeren uit Delft-West aan het werk zijn dan vijftien jaar geleden, maar hij maakt zich zorgen over wat er daarna gebeurt. Succesvolle jongeren blijven vaak niet in de wijk wonen. Buitenhof functioneert als springplank: wie vooruitkomt, verhuist. Daarmee verdwijnen rolmodellen sneller dan je ze opbouwt.
Sociale infrastructuur
Dat raakt weer aan Stoops pleidooi voor een stevigere sociale infrastructuur: hij mist herkenbare sleutelfiguren die jongeren kennen, aanspreken, bijsturen en verbinden. Hij schetst jongeren die overdag op bankjes zitten zonder dat iemand actief het gesprek aangaat. En hij zet vraagtekens bij de evaluatie: te weinig harde cijfers over wie via trajecten echt aan het werk komt. Daarom pleit hij voor een onafhankelijke coördinator of evaluator die elk kwartaal laat zien wat werkt en wat niet.
Schrederhof ziet de behoefte aan zicht op voortgang ook, maar wijst op de manier waarop de gemeente nu meet. Dat gebeurt via jaarlijkse cijfers over jeugdwerkloosheid, via gesprekken en onderzoek. Momentopnames zijn er minder; capaciteit dwingt tot een jaarritme.
De vraag is of daar dan wellicht wat aan veranderd moet worden. Momentopnames zijn tenslotte hard nodig als het gaat om regelmatige sturing van zo’n belangrijk project.
Laagdrempelig
Tegelijk ligt daar ook haar bestuurlijke opdracht: zorgen dat jeugd, onderwijs en werk op elkaar aansluiten, en dat alle betrokkenen, inclusief de raad en bewoners, weten wie wat doet. Dicht bij bewoners komen hoort daarbij, bijvoorbeeld met huisbezoeken om problemen thuis beter te zien. Schrederhof hamert op laagdrempeligheid: de wijklocatie aan de Papsouwselaan als plek waar bewoners kunnen binnenlopen zonder gedoe met formulieren en mailtjes. Daarmee, zegt zij, maak je het mogelijk om niet alleen te reageren op incidenten, maar eerder te helpen.
Zoektocht
‘Jongeren en politiek’ in Delft is geen verhaal met één waarheid, maar een zoektocht naar balans. Stoop drukt de raad met de neus op veiligheid, grenzen en meetbare resultaten. Maruf houdt de raad scherp op de lange lijn: investeren, opbouwen, en voorkomen dat je terugvalt in een harde aanpak als enige antwoord.
Schrederhof probeert die discussie om te zetten in een aanpak die tegelijk vandaag zichtbaar is en morgen standhoudt. De tegenstelling is echt, maar er is ook een gedeeld besef: wie jongeren alleen ziet als overlast, mist de oplossing. En wie alleen over kansen praat terwijl de onveiligheid oploopt, verliest het draagvlak.
In de verkiezingsprogramma’s komt Wij West weinig voor; ook in gesprekken met politici blijkt kennis over ‘Wij West’ vrij beperkt. Wordt vervolgd.
Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door Mediafonds Delft.
