Foto:

Ode aan Jan

Herfst op begraafplaats Iepenhof. Regenvlagen met af en toe een felle straal zonneschijn. Toepasselijk weer voor een gesprek over een overleden dierbare, waarin verdriet en vrolijkheid elkaar afwisselen. Greetje van der Does-Visser en haar dochter Esther praten over (groot)vader Jan: Johannes Visser, 13 oktober 1919- 15 januari 2020.

Door Ester Janssen

Met bloemen komen moeder en dochter over het middenpad. Jan zou de volgende dag 102 geworden zijn. ‘We missen hem nog enorm, hij was een bijzonder mens. Oma ook, trouwens’, zegt Esther. Toch wordt de ode aan (o)pa geen zwaar gesprek.

Het begint al lichtvoetig. Vanwege de kou en omdat ik het bijzonder vind dat ze bereid zijn tot zo’n persoonlijk gesprek zou ik de dames graag iets warms aanbieden, maar dat gaat niet. ‘Dan moet je binnensluipen bij de uitvaart die nu bezig is, daar hebben ze koffie’, grapt Greetje.

Het verhaal begint in Meppel. De Delftse Jan moet daar werken als landmeter en zit op pension. Er ligt ijs, Jan gaat schaatsen. ‘En daar schaatste mijn moeder. Het is altijd dikke mik gebleven. De ouders van mijn moeder waren niet meteen enthousiast. “Uit het Westen komen geen brave jongens.” De verkering was hecht, ondanks de afstand, en na ongeveer een jaar trouwden Jan en zijn Drentse Seichien. Ze kregen vier kinderen: Chris, Greetje, Albert en Hans.

‘Ze waren een goed stel,’ zegt Esther. ‘Het was heel verdrietig toen oma kort voor mijn trouwdag stierf. We hebben alles wel door laten gaan, zo is het leven nou eenmaal.’ ‘Mijn moeder zou dat ook zo gewild hebben’, valt Greetje bij. Het werd een dag met een lach en een traan.

Jan heeft zijn vrouw nog 28 jaar overleefd. Greetje: ‘Hij heeft haar gemist tot de laatste snik. Mama verwende hem, ze heeft altijd gehoopt dat hij niet alleen achter bleef.’ Toch ging Jan niet bij de pakken neerzitten. Hij hij kookte voor zichzelf, bakte nog zijn eigen brood, en met hulp van zijn kinderen redde hij zich nog heel aardig.

Hij speelde zelfs nog kornet in het christelijk fanfarecorps Soli Deo Gloria. Greetje en haar man Henk brachten hem graag naar optredens: ‘Hij was zo’n levenslustige man, overal waar hij kwam bracht hij sjeu.’ De kornet staat nu bij Greetje in de kast. ‘Een mooie zilveren. Ik kijk er elke dag even naar.’

‘Mijn oudste broer overleed toen mijn vader er nog was. Dat was natuurlijk een groot verdriet voor hem, maar ook dat heeft hij moedig gedragen. Chris was 71, net zo oud als mijn moeder toen ze stierf. Mijn eigen 71e verjaardag was dus best beladen.’

‘Tot zijn 85e heeft hij zich heel aardig geweerd. We hebben hem naar ons toegehaald, naar Zoetermeer.’ Zo kon Greetje iedere dag even poolshoogte nemen. Vanaf zijn negentigste ging Jan achteruit. Hij kreeg onder andere een delier. Passend bij zijn karakter hallucineerde hij vrolijke dingen: ‘Heerlijk hier op Texel, hè?’ genoot hij dan. Als Greetje dan zei dat ze toch in Zoetermeer waren, sprak hij dat vriendelijk tegen: ‘Zie je al die prachtige boten dan niet?’ Dat hij langzamerhand te oud werd voor uitstapjes, bracht hij met humor: ‘Nou hoef ik niet meer naar de bollenvelden. Ze zijn hetzelfde als vorig jaar.’

Drie keer kreeg Jan een delier en nooit was hij bang. Alleen op het einde, toen hij ook longontsteking had. De laatste keer dat Greetje bij hem was, was hij niet lekker. Hij lag al op bed. Het aanbod van zijn dochter en schoonzoon om te blijven, sloeg hij af. ‘Ga maar lekker naar huis, Henk loopt zo slecht.’ Tot op het allerlaatst had hij nog interesse in de ander. ‘Je voelde altijd dat hij blij met je was.’ De volgende ochtend was hij overleden. Esther en Greetje zijn meteen samen naar hem toe gegaan. ‘Het was ook goed dat hij mocht sterven. Er is niets onuitgesproken gebleven’, zegt Esther. ‘We zijn overtuigd gelovig’, vertelt Greetje, ‘en ik had graag nog zijn hand vastgehouden en met hem willen bidden. Maar de gedachte dat hij bij Chris en mama is en de wetenschap dat hij dat ook zo voelde zijn heel troostrijk.’

Jan is begraven bij Seichien. Op het graf ligt een Drentse kei, met de eerste regels van de psalm ‘De Here is mijn herder’ in het Drents. Delft en Meppel, voor altijd samen.

Cheyenne Toetenel
Meer berichten
 
CustomHtml_1