Leraren Stanislascollege staken tegen voorgenomen wetswijziging minister Van Bijsterveldt
DEN HAAG – Marja van Bijsterveldt, de Schipluidense Minister van Onderwijs, diende onlangs een wetsvoorstel in om de zogenaamde 1040-urennorm te herstellen en de zomervakantie van het onderwijzend personeel met een week in te korten.
Veel leraren waren het daar niet mee eens en dus gingen ze staken op het Plein in Den Haag. In de hoop om de leden van de Eerste Kamer van hun gelijk te overtuigen. Ondanks het feit dat de publieke opkomst tijdens de eerste van drie stakingsdagen wat tegenviel, waren er wel leraren uit heel het land, zelfs uit Roermond en Sneek gekomen om hun stem te laten horen. Leraren in Actie, de vakbond die de staking organiseerde, had een programma opgesteld met lezingen van docenten, politici en de voorzitter van Stichting Aloysius. De belangrijkste boodschap van de sprekers was dat het onderwijs helemaal niet gebaat is bij voorgestelde maatregelen. Het voorstel was dan weliswaar door een meerderheid in de Tweede Kamer aangenomen, maar de senatoren in de Eerste Kamer werden opgeroepen om tegen het wetsvoorstel te stemmen.
“Ik sta helemaal achter deze staking”, zegt docente maatschappijleer Irene van Griethuysen van het Stanislas College uit Pijnacker. “Het is natuurlijk te gek voor woorden dat van ons verwacht wordt dat we een week langer gaan werken, zonder dat we daarvoor gecompenseerd worden.” Daarbij houdt de 1040-urennorm in dat leerlingen meer les moeten krijgen. Iets dat volgens mede-organisator van de staking Ronald Cilon te danken was aan het feit ‘dat de minister haar oren laat hangen naar PVV-kamerlid Harm Beertema’. De extra werkweek zou volgens Van Bijsterveldt zorgen voor een verlaging van de werkdruk.
“Als ze echt iets aan de werkdruk willen doen”, zegt Otto Rensen, docent biologie in Pijnacker, “dan moeten ze maximaal achtentwintig leerlingen in een klas zetten. Ik besef dat dit geld kost, maar pas dan werk je ook aan verbetering van de kwaliteit van het onderwijs.”
‘Alleen maar vakantie’
“Het vervelende is”, stelt economie-docent Rene Riekwel, “dat het algemene beeld heerst dat we als docenten alleen maar vakantie hebben en dan niet hoeven te werken. Daarbij is die 1040-urennorm volledig onzinnig. De kwaliteit van het onderwijs is namelijk niet af te lezen aan het aantal uren dat de leerlingen op school moeten zijn. Misschien is dit een beetje een rare vergelijking, maar als je een kip langer in zijn legbatterij laat zitten, dan wordt hij taai.” Verder vindt Riekwel het beeld dat leraren vooral vakantie vieren niet gerechtvaardigd. “We hebben in de kerstvakantie net tien dagen vrij van lessen gehad, maar ik ben in die weken wel drie volle werkdagen aan school bezig geweest. Ik heb dingen nagekeken, planners gemaakt en schoolexamens voorbereid. Veel mensen vergeten dit voor het gemak maar.”
“En daarbij”, vult Walter Rast, docent beeldende vorming aan, “heb ik met mezelf de afspraak gemaakt dat ik ’s avonds na tien uur niet verder werk. Zo zie je dat je, als je ’s middags de school uitloopt, nog niet klaar ben met je werk. Dat er meer bij komt kijken dan alleen maar het geven van lessen.”
Hans Elgershuizen, eveneens docent beeldende vorming in Pijnacker, heeft voor de gelegenheid uitgezocht hoe het in de rest van Europa met het aantal weken vakantie zit. “Daaruit blijkt dat we in Nederland onder het Europese gemiddelde zitten. Wij hebben twaalf weken vakantie, maar in België zijn dat er vijftien. In landen als Zweden en Frankrijk zijn dat zelfs zestien weken. Ik wil niet zeggen dat dit bij ons ook zo moet zijn, maar ze hoeven er in elk geval geen week vanaf te halen. Ook van de voorgestelde 1040-urennorm is maar de vraag of het effectief is. Het onderwijs in Finland is volgens deskundigen het beste van Europa en daar krijgen de leerlingen slechts zevenhonderdzestig uur les. Daarbij wil het hebben van vakantie niet zeggen dat je ook daadwerkelijk niet met je vak bezig bent, want ook in de voorbereiding en het nakijken gaat veel werk zitten. Zo heb ik bijvoorbeeld een collega die een deeltijdbaan heeft en een dag in de week geen lesgeeft om de kwaliteit van zijn lessen te kunnen waarborgen.”
Ook Dick Hart, leraar geschiedenis van de vestiging van het Stanislas College aan het Delftse Westplantsoen, kan zich hierin vinden. “Van de veertien dagen vakantie die we gehad hebben, heb ik er twaalf toch aan mijn werk gezeten. Ik heb dertien profielwerkstukken nagekeken en een schoolexamen voorbereid.” Hart vindt dat politieke partijen zich op een populistische manier willen profileren over de rug van het onderwijs. “Het is makkelijk om de publieke opinie mee te krijgen door een beeld te schetsen dat leraren vooral vakantie hebben en harder moeten werken. Ze zien alleen niet dat ‘vakantie’ niet altijd ‘vrij zijn van het werk’ betekent. Verder vind ik dat de minister zich niet met dit soort arbeidsvoorwaarden moet bemoeien, want dat is iets tussen werkgever en werknemer. Ten slotte vind ik het niet erg om een week langer te werken, maar daar moet wel een vergoeding tegenover staan. Toen ik vroeger in Zeeland in een strandtent werkte, kreeg ik mijn extra uren ook gewoon betaald en daar deed mijn baas niet moeilijk over.”
Erno Allen, docent economie aan het Westplantsoen, ziet nog andere problemen in het huidige onderwijs. “We protesteren nu tegen deze twee zaken, maar wat ook erg vervelend is, is dat leerlingen die vroeger vanwege hun gedrag op het speciaal onderwijs geplaatst werden, tegenwoordig op ‘normale’ scholen komen. Die kinderen vragen een hoop aandacht en dat gaat ten koste van de andere leerlingen. Daarnaast stelt ons schoolbestuur dat wij ons recht tegenover hen opstellen. Dat is absoluut niet waar, want dit protest is puur een signaal naar de minister toe.” (AdW)












